Senegal II

Vervolg op Senegal I, 20 oktober tot en met 9 november 2012

What? So much? You cycled hundred thirty kilometre?’ zegt de Franse vrouw die als enige Engels spreekt op Domaine Kalao in Thiès. Alle hoofden draaien om en ik neem aan dat ik een indrukwekkende afstand neer heb gezet. Een afstand die alleen Europeanen snappen. En als je deze afstand vergelijkt met een aantal maanden terug, dan is het meer dan een verdubbeling. De Sahara heeft me getraind!

Vele felblauwe en Fanta-oranje vogeltjes sieren de route. Ze vliegen over me heen en ze liggen dood langs de weg. Ik stop voor touba koffie langs de route, een heerlijke zwarte koffie met kaneel en veel suiker. Ik koop groente langs de weg, want ik ben niet weer van plan in een prijzig hotel te gaan overnachten. De route van Louga naar Thiès is weldadig. Wat ik thuis wel eens deed wanneer ik de volgende dag zou gaan werken was te denken aan wat de volgende dag me zou brengen; een nieuwe set kleding, un cadeau of uit eten met mijn favoriete collega. Nu doe ik hetzelfde: baobab bomen! Ik ben helemaal opgewonden dat ik deze knoesten van bomen ga zien en de mogelijk heb te stoppen en ze te bekijken zolang ik wil. De baobab bomen laten me voelen alsof ik in een sprookje ben. Het is un cadeau om hier te fietsen en als je dit dan vergelijkt met de Sahara is het sprookje compleet. Ze zijn zo machtig, ze laten stijlvolle, ranke palmbomen achter als dwergjes en overdonderen de rode Aarde alsof zij de olifanten van de savanne zijn. Ik krijg er geen genoeg van en stop bij elke boom. Tot ik denk: ’Hoe lang ga ik dit volhouden?’

De legende van de baobab (Adansonia digitata): een boze god trok de boom uit de grond en zette hem op zijn kop terug, vandaar de dikke, kronkelende takken die op wortels lijken. De boom staat in hoog aanzien bij de locals. Zijn wijze uitstraling, de kracht om enorme droogte te doorstaan en honderden jaren oud te worden maakt de boom heilig en geeft hem magische krachten bezitten. Hele oude bomen ontwikkelen holtes waarin vroeger mensen, die liederen zongen en verhalen vertelde begraven werden. De boom is ook praktisch. De holle stam kan regenwater vast houden zoals een regenton in droogte dat doet. De vruchten van de boom bevatten zaden die je kunt eten of tot een heerlijk drankje mixen met melk en suiker. De gehakte bladeren kunnen na het koken gebruikt worden voor een saus en gedroogd en gemalen zijn ze te gebruiken tegen infecties en zere gewrichten.

In Thiès kom ik in het donker aan bij een hotel en ik haal het document weer uit mijn fietstas. Het document dat Marijke en Jacques, van de stichting Focus on Education, voor me opgesteld hebben en waarmee ik vooral in Frankrijk en Spanje veel gratis kampeerplekken kreeg. En aangezien ik wil kamperen bij Domaine Kalao, ben ik op het juiste
adres met mijn Franse document bij deze Fransman die de eigenaar is. Ik mag gratis kamperen, en dat niet alleen. Jean Paul, Jan Paul, zoals hij hier wordt genoemd, wijst me een huisje aan waar ik me kan douchen, waar ik naar het toilet kan, en daarna mag ik aanschuiven voor het avondeten. Ik had het niet beter kunnen treffen want ik krijg zonder te overdrijven een diep bord vól grote gemarineerde garnalen en een Franse tomatensalade. Iets wat ik in Saint Louis tevergeefs probeerde te bestellen.

Greenery hugs it’s handful of rooms and the kitchen, with its inspired collection of African and European meals, is the envy of Thiès’ leading restaurants.’Zegt de Lonley Planet over Jean Paul’s hotel, een oudere, behoorlijk dikke Fransman met een flinke zweer op zijn buik en aan zijn zijde een prachtige jong Senegalees meisje. Ik voel me zeer hartelijk verwelkomt, ook door de tientallen kikkers die rond springen, maar ik slaap die nacht slecht.

Keelpijn zet op en het licht van Jean Paul’s huisje houdt me lang uit mijn slaap. Toch ben ik de volgende ochtend verheugd met het gevoel dat ik even kwijt was: de tent afbreken zonder competitie. Niet dat Steve er een wedstrijd van maakte maar als je, zoals ik, altijd de laatste bent ga je er vanzelf wel een strijd in zien. Nu dus niet. Ik doe het op mijn ritme en eet een moeilijk te eten pompelmoes waar ik een uur over doe en wanneer ik weer vertrek ga ik een uitgebreid ontbijt nemen rondom lunchtijd en zo fiets ik verder met de notities die ik van Steve heb gekregen. Op naar Toubab Dialao.

 

Ik heb de route door Senegal laten bepalen door de goedkoopste hotels en niet door de locatie. Het land is klein maar ik wil er ook weer niet doorheen crossen. Ik wil iets zien en misschien zelfs zwemmen in de oceaan die ik nu al zo lang volg. Wanneer ik op een kruispunt aan kom waar drie gendarmes staan word ik aangehouden, het verkeer genegeerd en ik gevraagd door Sambou als correspondentie vriendin. We wisselen telefoonnummers uit, want een politie als vriend kan altijd nuttig zijn, en dan wijst hij me terug naar waar ik vandaan kwam. Ik ga de kant op van Dakar. Iets waar ik bewust niet heen wil zonder GPS en ik vervolg de notities van Steve weer, hoewel alle afslagen die hij links aangaf, rechts moeten zijn.

DSC_0965 (425x640)

Maar wat dan wel overeenkomt zijn mijn gedachten met de verwachting van de laatste plaats waar Steve verbleef. Ik ben verheugd wanneer ik in hotel Sobo Bade een briefje van Steve overhandigd krijg. Ik wist het, en ik voeg het bij in mijn dagboek bij de rest van zijn kaarten. Waar ik minder verheugd mee ben is de locatie, ik voel me geheel misplaatst op deze verblijfplaats die me aan Club Med doet denken. Het enige positieve is dat ik een slaapzaal alleen bewoon en deze ligt recht onder de oceaan. Dat is pure luxe voor €8. Verder is het eten te duur en de mensen zijn blase geraakt door de vele toeristen of Dakarois (bewoners van Dakar) die veel te besteden hebben. Ik niet. Wanneer mijn ontbijt plots meer dan verdubbeld in prijs ga ik uiteraard reclameren bij de receptie, en de Franse eigenaresse verbeterd de rekening. Hier maak je natuurlijk geen vrienden mee.

Remedy against a cold

Vrienden maken is toch behoorlijk lastig in dit land met wellustige, aantrekkelijke mannen die wel interesse hebben in een blanke, alleen zijnde vrouw. Fietsende heb ik er geen last van -hoewel, wat betekend het als een jongen zijn vinger in zijn mond heen en weer schuift, en mij aankijkt?- Hoewel ik aan iedereen die het me vraagt zeg dat ik getrouwd ben, schittert mijn echtgenoot natuurlijk wel door zijn afwezigheid en ben ik alsnog een prooi. Jimmy schooit om muntgeld om zijn maaltijd te kunnen bekostigen, nadat hij een heel zielig en sneu verhaal verteld heeft. Maiz staat me in de vroege ochtend al op te wachten wanneer ik naar de douchegelegenheid loop. Alleen Maps lijkt wel oké en met hem drink ik twee touba koffie op zijn binnenplaatsje. De sterren glitteren, het uitzicht op de oceaan is pure luxe, alleen zijn commentaar dat gember je goed heet maakt en dus werkt als een afrodisiaca, is wat minder. Zou hij weten dat ik al twee dagen verse gemberthee drink om mijn verkoudheid te genezen? Hij heeft het niet breed, ‘to economise’ heeft Maps geen elektriciteit maar wel twee zoontjes van twee verschillende vrouwen, waarvan hij gescheiden is en die hij bij zijn vader in Dakar onder heeft gebracht en dus zelf voor moet zorgen.

Het is dan een verhelderende ontmoeting met twee rijkere Dakarois. Ik ontmoet Malick terwijl ik in zee de golven bevecht. Iets dat hij ook aan het doen is. Malick is nog jong en heeft zijn eigen bouwbedrijf opgericht, hij rijdt in een witte 4-wheel drive jeep en kan niet geloven dat ik met de fiets uit Nederland kom gereden. ‘You don’t look strong,’ zegt hij, en dat klopt wel, ik heb nog altijd niet die gespierde kuiten waar ik al zo lang van droom. Dat zal wel nooit meer komen, denk ik. Mijn armen zijn wel degelijk gespierd alleen zie je dat niet zo omdat ze zo mager zijn. Malick geeft me zijn telefoonnummer en een pak fruitsap en een zak pindanootjes en een banaan en ik ben als een kind zo verheugd! Want voor eens krijg ik en word er niets gevraagd. Zelfs niet wanneer Malick me regelmatig opbelt blijft hij netjes. In tegenstelling tot de politie agent, die me vaak opbelt en veel berichtjes stuurt, openlijk flirt.

Ik fiets vanuit Toboub Dialao naar Fatick via Mbour. De plotselinge wildernis van Senegal verwonderd me. De vlinders zijn weelderig, verrassingen zoals een metersgrote varaan vlak voor mijn wielen. Hoewel alweer dood! Ik zie enorme spinnen hun vangst verorberen en hun web bijna om mij heen spinnen. Ik ontdek apen in de mangogaarden en hoop maar dat ze me niet tegemoet komen. Vier grote zwarte mannen in gesteven schoon helderblauw lopen over de rode aarde langs de weldadig groene natuur die hen en mij toewuift. Allen heffen hun armen op, slaan de handen ineen boven hun hoofd, maar pas nadat ik naar ze lach en ze ‘bonjour’ wens. Een kleine toenadering, een groot gebaar terug krijgend.

Omdat ik niet weer in een duur hotel wil overnachten, besluit ik te stoppen meteen zodra ik een mogelijkheid zie. Het wordt een psychiatrisch kliniek. Ik laat mijn document van Focus on Education weer zien en mag op een binnenkoer van de vertrekken verblijven. Alweer heb ik de beschikking over een douche en een toilet, vier van ieder. Ik zet mijn tent op, maak eten en ga rond negen uur slapen rond terwijl de geluiden van dieren en insecten en natuur me in slaap kriebelen.

Ik bedenk hoe fijn het kan zijn om met psychische klachten opgenomen te worden en dan hier, in dit oord van rust en reinheid, verzorgd te worden. Het voelt aan als een ashram en waarschijnlijk een stuk beter om te wonen dan de doorsnee hutten langs de weg. De route naar Fatick gaat langs vele dorpjes, waar kleine kinderen vast als eerste het woord toubab leren. Wanneer twee jongetjes naar me toe gehaast komen wanneer ik een foto maak is hun begroeting erg Afrikaans ‘Cadeau!’ ‘Cadeau,’ begroet ik ze terug. Als ik niet precies de gangbare taal van een land ken herhaal ik gewoon wat tegen me gezegd wordt en vaak is dat goed genoeg. Erachteraan vraag ik iets dat ik ondertussen geleerd heb in Senegal ‘Donnez moi un cadeau.’ Maar omdat de jongetjes me niet begrijpend aankijken zal ik wat helderder zijn en vraag ik of ze me een koe kunnen geven. Ze kijken me aan of ik gestoord ben. ‘We hebben geen koe,’ zeggen de jongetjes en ik hoop, en ik denk van wel aan hun blik te zien, dat ze inzien wat een rare vragen zij stellen aan toubabs!

Yet some more baobabs

Het valt me op dat heel wat kinderen niet naar school gaan en gewoon gebruikt worden als volwassen. Een klein jongetje doet groot werk en rijdt de ezelkar vol hout terug naar huis. Een ander zeult met een machete en een stuk boom, zelf gehakt. 

Sommige meisjes zijn zodanig gekleed of opgemaakt of de combinatie ervan dat het lijkt alsof ze naar de ‘Fashion Week’ gaan. Stofjes die sommige mensen uit volksbuurten onder de kerstboom leggen worden hier gebruikt als galajurken. Sommige vrouwen zijn erg aantrekkelijk, simpelweg heerlijk. Fijne hapjes vrouw, delicaat gevormd en geurend naar heerlijkheden die een scala aan geheime tover crèmes verraden. Hun billen steken goed naar achter, de ingang van hun decolleté is van zacht gladde, matte donkere huid. Hun sleutelbeenderen liggen duidelijk aan de oppervlakte en de pruik die ze vaak dragen is een broeierige toevoeging die hopelijk af gezet kan worden zodra ze van de Fashion Week afkomen. Dat is de markt voor hen. Ik denk dat na 10 jaar hun schoonheid omgevormd is tot zorgen, zogen en hopen dat je man je trouw blijft. Ik zie heel wat vrouwen langs de weg die er afgetobd en zorgvol uitzien. Zij lachen niet meer. Die wel lachen, en heel breeduit zijn de moeders die door hun klein kroost omgeven worden. Ze stampen met ritme bladeren fijn in een grote houten mortier, reusachtige baobabbomen achter hen en eigen gestamp afgewisseld door de ander. Het is een prachtig plaatje Afrika.

Het is opvallend schoon in dit land, dat is iets dat ik gaande weg ontdek. Iets anders dat me opvalt duurt niet zo lang, 30 kilometer om precies te zijn. Op de route naar Toubakouta kies ik voor een alternatieve route en die gaat door de Siné-Saloum delta. Rood zand, zoutvlaktes en mangrove, eenzame baobabs met glanzende huiden, lagunes, eindeloze vlaktes zonder teken van menselijk leven en weer spiegelende wegen door de hitte. Hier ontdek ik dat ik al langer dan een uur geen toubab ben genoemd en al die tijd heeft niemand me iets geëist. Het Sahara gevoel welt hard op. Wat me nu meteen weer herinnert aan die fijne stilte die daar heerste. Alleen daarom zou je die tocht al willen maken. Ik stop vaak, niet wetend wanneer de ferry vertrekt dus ook niet wetend hoe snel of hoe langzaam ik moet zijn. Ik voel een tot nu toe in dit land onbekend en heel aangenaam gevoel van rust. Zittend op een stuk rots wacht ik een uur tot de ferry vertrekt.

Op de ferry moeten we allemaal een oranje reddingsvest aan, ik betaal het dubbele, twee keer 32 eurocent. Een Fransman komt mijn fiets proberen op te tillen, iets dat niet lukt. ‘Lour,’ zegt hij, en ik vermoed dat dat ‘zwaar’ betekend. Hij zegt iets over ‘rouge’ en iets met mijn mond bedekken. Hij voelt mijn banden en maakt een zeer tevreden gebaar. Ik heb al die tijd niet door waar het over gaat. Tot ik op een track uitkom. Of in het Frans een piste. Of in het Nederlands een onverharde weg. Waar ik zo dol op ben. Niet dus. Ongeveer 50 kilometer gaat over rode aarde en ik kan alleen maar hopen dat ik met deze vertraging toch nog voor het donker aan zal komen in Toubatkouta.

  Niet dat ik me ga haasten, ik bekijk langdurig vogelnestjes die in de bomen hangen als breekbare lampionnetjes. Ik probeer aan bouyi of bissap te komen op een hoofdkruising, wordt daarbij geholpen door een jongen, maar niemand heeft dit lekkere natuurlijke suikerrijke drankje. Dan eet ik maar een stuk watermeloen en plots verschijnt er een dame met een koelbox vol ingevroren bouyi en bissap! Net wanneer ik denk ‘waar blijven hier die gekleurde vogeltjes’ vliegen er tal van tropische vogels aan me voorbij. Net wanneer ik denk ‘de wolken hier zijn niet zo spectaculair zoals in de Sahara’ ontwikkeld er zich boven mij precies een zelfde patroon als waar ik zojuist aan dacht.

Toubakouta bezorgd me een prachtig huisje midden in een compound omgeven door bougainville, en met zijn prijs van 12 euro is het verre van goedkoop maar heb ik wel een eigen douche en toilet. Omdat er geen bank in dit dorp is en mijn Senegalese Francs ver op zijn, besluit ik maar twee dagen te blijven. Ik ga naar de mangrove, het lukt me om vele mannen niet aan mijn zijde te laten kleven, behalve 18-jarige jonge knul, Baddy, lijkt me redelijk onschuldig. Baddy vindt veertig ‘very, very old’ en benoemt zijn moeder als ‘very, very happy’ iets dat ik niet kan geloven, als eerste vrouw zijnde van een man met twee echtgenotes. Iets dat in Senegal redelijk normaal is. Baddy is ‘very, very populair’ in dit dorp, zegt hij zelf, maar geeft me een half uur voor het eind van de zonsondergang toch teveel het idee dat we niet ver van Gambia af zijn. Het land van de seks industrie.

De mannen van Senegal zijn mooi. Je hebt de herkenbare rasta-stijl, jongens met knotten geknoopt haar dat sommige onder een wollen muts stoppen zodat grote bundels omwonden haar in hun nek liggen. Veel mannen trainen hun lichaam tot prachtige bouwwerken en het glanzende zwart van hun huid of het doffe donkerbruin ervan steekt helder af tegen de witte shirts die ze dragen. Ze zijn mooi, de mannen van Senegal. En ze roepen naar je, ze komen naar je toe en ze willen een praatje maken. Het onderwerp zwart/wit is populair en de zinnen ‘the heart must be pure’ en ‘black or white, it does not matter, we are all the same,’ maar als dat echt zo is, waarom leggen ze er dan zo de nadruk op? Ik vraag waar het woordje toubab vandaan komt en vindt het uit. Het is een teken van jezelf kenbaar maken naar de blanke toe, een teken van ‘hallo’ dus. Een Chinees, een Mauritaniër zijn ook toubabs, en een albino heeft weer een eigen benaming.

Dan fiets ik verder, 28 kilometer naar de grens, langs weelderig groene natuur, termietenheuvels, watermeloenvelden, lichte welvingen in de weg en een grensovergang zo makkelijk dat ik achterom kijk en denk ‘very, very easy.’

Rosso – Saint Louis: taxi (ongeveer 100 km)

Saint Louis – Louga: 73 km

Louga – Thiès: 131 km

Thiès – Toubab Dialo: 63 km

Toubab Dialo – Fatick: 119 km

Fatick – Toubakouta: 100 km

Toubatkouta – grens: 28 km

7 responses to “Senegal II

    • Ik schrijf op dit moment een mail naar je, en wat denk je: ik heb het nét over het camping document!

      Ik ben nu bijna klaar met rust nemen, bijna up to date! Hoe vind je dat? Wat een fijn gevoel!

      Fijne kerst en tot mails, liefs Cin x

      Like

  1. Mooi mooi sis…
    Prachtige foto’s, bij het zien van de foto met het poesje zei morris ‘dikkie’…
    Maar dikke is iets groter dan dit Afrikaanse poesje lijkt me.
    Dikke knuffel van je nichtje&neefje, pas goed op jezelf… X.

    Like

  2. Lieve Cinderella,

    Wat een fijne ontmoeting hebben we gehad. Ik ben weer helemaal thuis, kinderen om me heen en de griep in mijn lijf, zoekend naar momenten op Skype met Sidya…..
    Je bent een bijzondere en prachtige vrouw, ik heb veel aan deze ontmoeting met jou gehad!

    Kus, Judith

    Like

    • Hoi lieve Judith!
      Ik kijk ook terug op onze ontmoeting met enorm veel speciaal gevoel. Het was zo bijzonder. We leken wel een spiegel!

      Ook ik heb heel wat gehad aan onze ontmoeting. Heel verhelderend was het geen je zei.

      Ben je al beter? En hoe gaat het met Skypen? Krijg je Sidya te pakken?

      Hebben je kinderen een leuke kerst gehad ; ) ik denk van wel!
      Liefs Cinderella

      Like

I'm curious to your view, leave a reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.