Van Rabat naar Essaouira

Terugblik…

26 augustus 2012: we zijn voornamelijk in Rabat om het visa voor Mauritanië te verkrijgen en al gauw ontdek ik hoe fijn ik deze stad vind.

Gewend zijnde aan visa aanvragen weet ik dat het een lange ochtend kan gaan worden. Ik ben voorbereid met pasfoto’s, een brief opgesteld in het Frans waarin ik vraag voor een langere date of entry omdat ik met de fiets ben, en 65 euro. Wanneer ik aan de beurt ben, samen met Steve, is de rij aanvragen veel te snel gegaan en ben ik nog niet klaar met het invullen van mijn formulier. De Mauritaniër in roze blouse, het maakt de streng uitziende man op slag zachter, zegt echter ‘not possible’. Eén dag later hebben we niettemin ons visa: mulitpy entree, 3 maanden geldig. Super.

Rabat is de stad van de katten en poezen en wanneer ik alleen de souk in ga kom ik terecht in een kattenparkje waar mensen ook toegelaten worden. Plots bevind ik me tussen meer dan 40 katten en poezen en kitten, de meeste drinkende van tepels niet hun moeder. Er zwermen heel wat halve ras katten rond, van Siamese tot Amerikaanse boskatten en een grijze dik in zijn vacht met groene ogen. Eentje heeft helemaal geen ogen meer, wel twee gapende wonden waar de etter uitloopt, die vind ik zelfs weinig aanlokkelijk. Niemand haalt het beestje aan, vermoed ik, want hij blijft verstopt onder het bankje waarop ik zit. Dan is er nog een jongen die waarschijnlijk ook niet veel aandacht krijgt, nadat hij mij lang in zich opgenomen, getaxeerd en goed bevonden heeft, komt hij naar me toe. Hij zegt de kattenverzorger te zijn en verder is iedereen die langs loopt ‘crazy’. Terwijl ik diezelfde mensen met een vragende blik naar mij zie kijken.

Ik geniet van de medina, van de straatjes vol fruit, hele lanen met enkel brood en ik probeer zoveel ik kan uit. Niet wetende wat het soms is, eet ik ongebakken deeg zo dun als vloeipapier en het smaakt goed. Bergen CD’s en fruitsappen en verse vijgen (€ 12 per kilo!) en lingerie. Er is een elektro markt waar Steve en ik samen een DVD brander kopen, er zijn de gele puntschoenen waar heel veel mannen mee lopen, een suikerrietmachine, trouwkleding, vlaggen, eetstalletjes in rookwalmen, kebab, de oceaan, koekjes, ezelkarren en poezen die werkelijk overal in kruipen waar ze maar voedsel ruiken. De vleesafdeling ruikt goed en uitnodigend, kamelenkoppen liggen te smoren, poezen trippelen overal doorheen en tussendoor en zoeken hun plekje om te eten, te slapen, te zogen en te sterven. Elke dag zie ik dode poesjes liggen. Niettemin, de stad Rabat lijkt vrede te hebben met de poezen, niemand schopt ze weg, ze krijgen eten en vaak liggen ze vredig en kwabbig te doezelen voor een winkeltje.

Genietend van het aanbod aan eten probeer ik zoveel ik kan, harira soep of een beker suikerriet sap voor vijftig cent, een Marokkaans broodje gevuld met vis, peper, aubergine en gebakken aardappel voor zestig cent en avondeten van eindelijk eiwitrijke bonen, soep, vis en brood voor nog geen euro.

De route van Rabat naar Casablanca gaat langs de kust. Het is een lange dag, we kunnen afstanden maken als nooit tevoren en gaan nu telkens voor de 100 kilometer. Voor Steve moet dit zoiets zijn als een sprinter die eindelijk mag huppelen, gewend aan lange afstanden zonder rust te nemen tussendoor. De realisatie dat ik in Afrika ben komt nu eigenlijk pas, de weg zo eenzaam naast de kust, een verloren kip, een rennend kind in het zand naast dezelfde weg. De krottenwijken tegen de stad aan, de leegte vol rotzooi, een minder mooie contradictie. Ik moet glimlachen wanneer ik een man op brommer voorbij zie snorren, hij draagt bij zijn djellaba een wollen must en dat kan nu weer want het is maar 32 graden en het daalt op mijn fietscomputertje zelfs tot 27 graden.

Ontzettend ontwapenend is de man, en zijn vrouw net voorbij Rabat. De man heeft zijn auto langs de kant van de weg gezet, is uitgestapt, wenkt nu naar me: twee vingers in de lucht, dan een vlakke hand met de palm naar beneden duwend. Ik vermoed dat hij wilt dat we stoppen, Steve vlak achter me. Ik stop en hoor meteen: ‘Where are you from?’ en ‘Waar ga je heen?’ en ‘Ben je vanuit Tangier gekomen?’ Zijn vrouw hoort me antwoorden ‘Rabat, Casablanca en Sebta’, en haar man vertaalt har net gehoorde zinnen, haar ongeloof blijft want ze kan niet geloven dat wij zijn komen fietsen uit Sebta!! Sebta is de Marokkaanse naam voor Ceuta. De man verzekerd haar dat we toch echt met de fiets zijn gekomen, dat heeft hij me net gevraagd en ik heb geantwoord, doch de vrouw blijft achter in ongeloof. Leunend op de deur van de auto schudt ze haar hoofd terwijl de man ons een triomf-gebaar schenkt, versterkt door een kracht uiting. Hij dankt ons voor het beantwoorden van zijn vragen, hoewel ik bedenk dat ik een beetje wantrouwend over kwam in het begin? Het is ook raar, iemand die ons zo abrupt stopt en vraagt waar we heen gaan…

De stad Casablanca is druk, ik glijd er goed doorheen, ben vooral sterk in de sprint, iets dat me nog herinnerd aan mijn schooltijd. Rookspuwende trucks, ezelkarren met ezeltjes die ik behoedzaam en enigszins meelijwekkend passeer en haastige taxi’s en andere mannetjes op de fiets met hun wollen mutsjes op gaan over in een moderne stad. Cafés zoals Cazzini, zakenmensen, studenten, hipheid en stijlgevoelig komen ervoor in de plaats. Zo anders dan Ouezanne of de rood zanderige rit naar Rabat vanaf Kénitra: één lange weg afgezoomd met pépinières en veel, heel veel groenten en fruitstalletjes en evenzoveel kopers die hun auto langs de kant van de weg parkeren. Zonder te kijken of er een fietser aan komt natuurlijk.

Half tien sta ik vanaf het balkon de stad in te kijken die langzaam op komt, de crème witte waas hangt tegen de gescheurde plaaster van de oude huizen, gevels uit de Art Nouveaux periode. De bijna volle maan trekt zich terug, brood komt in manden uit handen onzichtbaar waarvandaan. Twee backpackers uit een Fast Food Snack Bar, de plek in deze stad zoals straatstalletjes in de medina. Mijn hart voed zich, voelt zich vol, zwelt aan met de liefde voor zijn op een plek in de wereld vol leven.

Zittend op een terras uitkijkend naar het leven voor je, of in een café, stijlvol en rustig, zo lang ik wil zit ik in een salon du thé, waar binnen nog gewoon gerookt mag worden.  Waar ik gebruik maak van wifi, heel wat beter dan welk internetcafé dan ook. Hier drink ik potten mint thee en ben ik afgezonderd en toch in de volheid van Marokko.

De kustlijn is erg in aanbouw met luxe complexen die namen dragen als ‘Perfect Land’, ‘Halfmoon’, ‘Sunset Beach’ en ‘Dreamland’ terwijl de krotten het moeten doen met hun krot. Sommige delen van de nieuwe dorpen zijn al in gebruik en ineens ontstaat er een nieuwe wijk in de nietsheid van waar ik nu rijd. Met nietsheid bedoel ik niet dat er niets is, maar dat er niets is om te willen zijn. Dit deel van de route langs de kust is niet mooi en ook niet aan te raden om te fietsen. De twee redenen die ik kan bedenken en het de moeite waard maakt is de vlakte. De weg is heerlijk geteerd en zo ontzettend glad dat ik het gevoel heb erop te rolschaatsen. Het ultieme is wel dat ik veel harder ga dan wanneer ik zou rolschaatsen! Met de wind mee ga ik vaak in de hoogste versnelling en rond de dertig kilometer per uur. De andere reden is de bevolking die het de moeite waard maakt. Hoewel niemand op de foto wil, is hun enthousiasme enorm leuk! Aanmoedigingen alom en anders dan in Spanje is niemand geïrriteerd dat je ook op hun autoweg fietst.

De scenic route, volgens mijn landkaart, van Bouznika naar Mohammedia is dit niet. Het is vlak en dat is het enige. De route naar El Jadida is pas mooi nadat we Azemmour gepasseerd zijn, de laatste 10 kilometer is door bossen waar het late licht prachtig doorheen glimt. Casablanca binnen komen is niet aantrekkelijk maar wel leuk en El Jadida binnen komen is wel mooi maar niet al te spannend. De route van Rabat naar Kénitra is ook iets mooier dan gemiddeld omdat de weg erlangs bewaterd wordt voor de vele pépinières, plantenkwekerijen in volle bloei, groen en veelbelovend. Ditzelfde geld voor het passeren van resort Mazagan waar ze een waar paradijs van gemaakt hebben compleet met bossen, golfvelden, een casino, een spa, en een privé strand.

Genieten van de natuur is hier niet mogelijk, het is nu puur fietsen. Tenzij je nietsheid vol plastic aantrekkelijk vindt. Op de dagen dat ik niet fiets geniet ik het meeste van de rust en mogelijkheid om alleen in cafeetjes te zitten. In El Jadida is er een flink strand maar ik voel totaal geen behoefte om tussen geklede vrouwen en beluste jongens te gaan liggen. Liever zit ik uren in een thee salon. Waar de tijd vergeten wordt, waar de wind door het raam mijn gezicht streelt, een zeewind gedempt door wolken. Al wat ik wil in zulke dorpen is de sfeer oppikken en voor eventjes mee dobberen op zijn rustige golven.

Net als in Rabat, Casablanca, Kénitra en de eerdere dorpjes op de route zijn hier in El Jadida ook zijn geen touts. Het is aangenamer zonder deze mannen en zittend in La Royalle The Salon, potten mint thee en zoete deegwaren als ontbijt, de geluiden van glas- en aardewerk, schrijvend in mijn dagboek en lezend in het nieuwe boek, zink ik in een zoete rust toestand.

Ik voel me goed, zoals wanneer ik met de wind mee rolschaats of wanneer ik helemaal verzonken ben in het schilderen, dat geconcentreerde bereik ik ook met het fietsen. De natuur is bekoorlijk, hoewel het eerste stuk industrie- en havengebied is. Jorf Lasfar, en net zo lelijk als de naam doet vermoeden. Er staan hier opvallend veel elektriciteit stellages, want palen kan ik het niet noemen. Ze komen allen samen op een stuk nietsheid en het is mooi.

Twee dode ezels liggen opgeblazen langs de kant van de weg, alsof het weg gewaaid opblaasspeelgoed voor in zee is. Toch ben ik verheugd door hoe de mensen tegenwoordig met hun ezels omgaan. Dat is veel liever dan toen ik hier bijna twintig jaar geleden was. Alsof ze inzien dat dit hun inkomstenbron annex moped is. Ook ben ik verheugd met de originaliteit van de kinderen langs de route: de één gooit zijn kont naar me toe, de ander doet alsof zijn mobieltje een katapult is, of ze richten een speelgoedpistooltje op me en ik richt mijn hand als een pistool terug. De ene keer krijg ik het gebaar van mijn nek die door midden wordt gesneden naar me toe. Aller vriendelijkst kind, denk ik nog, en ik doe hetzelfde en wijs naar hem, een jongetje op een kar in het veld van zijn vader. Hij kan er goed om lachen. Het meisje dat ik voorbij rijdt maakt een dansje met haar hele lichaam, ze zwiept het in de rondte, het is een fietsdansje en ik moet er om lachen.

De volwassenen zijn soms wat verbaasd en terughoudend maar als ik lach, krijg ik meestal een ontwapende lach terug, een vrouw op de ezelkar met bladeren om haar hoofd om te zon af te weren, of een oud mannetje in vodden gehuld, leunend op zijn wandelstok.

Misschien vindt Steve mij te langzaam. Ik weet dat meer mensen mij als langzaam bestempelen, hoewel ik dat vreemd vind. Ik ben er zelfs bijna om ontslagen geweest, vooral omdat veel mensen niet meer weten wat een normaal tempo in het leven is. In het Westen gaat nu eenmaal alles snel. Geld wordt snel verdiend, snel uitgegeven en snel gaan we dood. Dus ik, ik fiets langzaam, een les geleerd uit het vele reizen. Steve irriteert zich vast aan het feit dat ik langzaam fiets want wanneer hij op een plekje in de schaduw op me wacht en ik besluit daar te poepen, iets dat ook al langzaam gaat deze keer, rijden we verder om 15 minuten later weer te stoppen.

De route vervolgd zich langs de kust. Rijdend langs hoge rietstengels passeren de inhalende auto’s me rakelings. Het blijft opletten. Als ik om me heen wil kijken stop ik met fietsen en stap ik af. De grond vlak voor de zee is bewerkt met landbouw en erg vruchtbaar benut met kolen, bloemkool, wortels, pompoenen, paprika’s en tomaten. De nietsheid is volledig verdwenen, het is mooi hier! De kliffen duiken dramatisch mooi de oceaan in en er hangt een dikke mist waardoor alles gehuld is in mysterie. Er lijkt ook lavagrond tevoorschijn te komen. Oh, het wordt prachtig! De aanmoedigingen zijn weer hartverwarmend, maar helaas, de eerste kinderen met ‘donnez moi…’ en ‘chocolate’ zijn het begin van een lange reeks, vrees ik.

Aangekomen in Safi, alleen en een stukje vergezelt te zijn door een man op een racefiets, gehuld in een te losse legging nodigt me uit in zijn hotel waar hij receptionist is. Ik lachte naar hem als vriendelijk gebaar, allebei op de fiets zijnde, en dit moedigde hem waarschijnlijk aan, hij keerde om en fietst nu naast me. Wanneer ik zeg ‘mon mari’ te gaan ontmoeten in Safi, knijpt hij abrupt in zijn remmen en glijdt ik rustig en alleen Safi binnen. Ik vraag iemand waar Hotel Majestic is, vindt het en vraag er naar mon mari. Ik voel me een beetje een sukkel dat ik naar mijn echtgenoot vraag, en hij er niet is. Ik check een stuk of vier andere hotels om zelf in te checken, nergens is Steve en ik mis hem. Het is makkelijker om samen dit klusje te klaren.

De route van Oualidia naar Safi is min of meer één rechte weg, 70 kilometer waarover ik 4 uur fiets. Ik ben de dag begonnen met een gezellig ontbijt en twee potten thee, een briefje van Steve waar hij zal zijn en me zal ontmoeten. En wanneer ik dan nog één keer naar Hotel Majestic ga om eens rond te kijken of ik zijn fiets zie staan, komen we elkaar tegen bij de deur, allebei op zoek naar elkaar. Even welt er een boosheid in me op, zoals een moeder haar zoekgeraakte kind terug vindt. Ik ben blij hem te zien…

Dan vertrekken we naar Essaouira, we staan vroeger op, en alleen opstaan is makkelijker en sneller. Na een ontbijt van thee, paratha en een soort pap, heb ik nog steeds trek. Een tweede ontbijt komt maar niet en ik neem genoegen met twee croissantjes, twee 2 yogurtjes van Danone, 3 appels, 5 pruimen, één brood en een zak gedroogd fruit met gedroogde abrikoospitten. Uiteindelijk vertrekken we nog laat maar ik zet wel een record neer: 126.6 kilometer in 7 uur en 55 minuten fietsen. Ik haal de hoogste snelheid ooit: 66.5 kilometer per uur en de totale klim van deze dag is ook de hoogste ooit: 1025 meter! Ik moet toegeven dat ik de dry-bag met 10 kilo af heb gestaan aan Steve anders had ik ook 69 kilometer per uur van die helling af kunnen snorren.

Steve heeft me al vaker gevraagd de dry-bag van me over te nemen, maar ik weigerde. Ergens zie ik het als een manier om me afhankelijk te maken. Maar nu zegt hij: ‘Het maakt je echt sneller en we zijn nog geen één dag boven de 100 kilometer gegaan en dat zullen we toch moeten gaan halen in de Sahara.’ Ik geef hem de 10 kilo, zie in dat ik getraind moet worden en zet me in voor de volle 125 kilometer! Om dit te vergemakkelijken zet ik de kilometerstand op de klok zodat ik niet constant zie hoeveel kilometers ik nog voor me heb liggen.

Het wordt een zeer mooie dag, zelfs de fabriek waar ze fosfor verwerken is prachtig, gehuld in wolken van de koele oceaan, een paar krachtige zonnestralen die erdoorheen breken beschijnen de fabriek op een kunstzinnige manier. Ik heb altijd graag in zo’n enorme fabriek willen dwalen om er fotocomposities samen te stellen. Echter, dit is nu niet het juiste moment, wil ik de 125 kilometer van vandaag halen en een kilometers lange muur weerhoudt me ook.

De zon verbrandt mijn lippen keer op keer, en mijn gezicht ook. De wind duwt me vooruit en ik slaak een harde kreet van opwinding en blijdschap wanneer ik met bijna 67 kilometer per uur naar beneden rijdt, vrachtwagens die omhoog rijden bijna stilstaand op deze helling. Vissers hebben hun hengels uitgegooid vanaf de kliffen of houden enkel een visdraad met haakje vast, hun brommertjes staan geparkeerd langs de route. Een vlieg vliegt in mijn neus en het duurt lang voor de kriebel verdwenen is.

En ik voel diepe blijdschap wanneer ik weer naar beneden zoef en er een groep zwijnen oversteekt! Hun achterwerkjes in de lucht zwiepend, hun hakkenvoetjes klepperend op het wegdek, achter elkaar aan in een grote haast. Ik bedenk wat ik moet doen: moet ik ze voor laten gaan? Zal ik ze doorkruisen of zal ik ze daarmee boos maken zodat ze me wellicht aanvallen? Ik moet snel handelen want ik ga over de 50 kilometer per uur naar beneden en de natuur is nu diep, diep mooi. Alles is in harmonie, de vele ruwe prikkelige bossen, de bergachtige uitgestrektheid, het ontbreken van plastic flessen en ander soort rotzooi. Ik passeer gele duinen die lijken op jelly puddinkjes, of jonge borsten. Wegpaaltjes tellen af tot Essaouira 25 kilometer en voor mijn gevoel zijn we er dan al wel. Want 25 kilometer is als wat 5 kilometer in Nederland is.

Voor degene die mijn lange persoonlijke e-mail ontvangen, deze komt eraan…

2 responses to “Van Rabat naar Essaouira

  1. Ik val in herhalingen met het benoemen van ‘oh wat een mooie foto’s’ en wat een leuk verhaal. In gedachten fiets is nu ook een stukje door Marokko mee. Je hebt geloof ik goede ervaringen met fietsen door dit land….. als vrouw. Had je hier de mannelijke ‘bescherming’ nodig??
    Fiets-schrijf je verder!

    Like

    • Hoi Gerry, hier ben ik weer! Ik ben in Gambia en het is een enorm gedoe om indernet te krijgen, behouden en vinden! Maar in het dorp waar ik nu ben is het er! Marokko is goed te doen, alleen hoor. Ik zou dan wel niet ‘s avonds gaan rijden, maar dat zou ik sowieso nooit doen. Ja hoor, prima te doen. Het ligt vooral aan je eigen zelfverzekerdheid, denk ik. Ik ga deel 3 van Marokko nu proberen te verzenden. Eens zien of dat lukt? De lange persoonlijke delen komen, als je wilt, later. Liefs Cin vanuit een lui (te lui) Gambia

      Like

I'm curious to your view, leave a reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s