Van Ceuta naar Rabat

Terugblik op de camping in Noord Frankrijk: ‘Afrika?!’ De ogen van de Nederlandse man die naast mijn tent staat vallen bijna uit zijn kassen. De dag ervoor wilde hij de elektriciteitspaal die onze percelen van elkaar scheiden, checken. Hij marcheert over mijn staanplaats heen, zoals alleen een Nederlander dat kan, ziet mij niet eens zitten en loopt bijna over mijn prijzige Primus allesbrander heen. Gelukkig ziet hij mijn kookstelletje op tijd en stapt er óverheen. Hoe galant, denk ik. Later breng ik hem de bio-soap die ik van boer Pierre heb gehad, een zeer daadkrachtige zeep die hij voor me in een zip-lock zakje heeft gedaan, om mijn handen vol smeer te reinigen. ‘En nu weer terug naar huis zeker?’ zegt de galante Nederlander als ik hem de zeep overhandig en antwoord dat ik de mooie route naar hier ben komen fietsen in plaats van de snelle route. Deze route is langer en ik heb 500 kilometer op de teller staan. ‘Zoveel?’ de man schrikt ervan. ‘Nu ga ik verder naar Afrika,’ vertel ik hem, omdat hij me dat vraagt. Zijn ogen rollen bijna langs de chemische toilet van zijn volledig geautomatiseerde caravan. ‘Je gaat op de fiets naar Afrika? Naar Marokko dus?’ Ja. ‘En alleen?’ Ja, gedeeltelijk wel. Hij kijkt me nu aan alsof ik veranderd ben, acuut en ter plekke, in een rookachtige gedaante die uit een olielampje, of uit een Primus allesbrander, ontsnapt. Hij taxeert me. Ziet mijn niet al te krachtpatserige gestalte en zegt: ‘Ben je getraind? Je bent mager.’ Alsof je tegen een dikke man die bij de Mc.Donald een Big Mac menu besteld zegt: ‘Zou je niet een koffie nemen, werkt laxerend, je bent dik.’ Ik antwoord dat ik inderdaad mager ben, dat je dat vanzelf wordt van reizen naar landen waar weinig voedzaam eten is. De man is duidelijk een doorgewinterde reiziger wanneer hij zegt: ‘Nou… dan zou ik gewoon eten meenemen,’ en vervolgd dat er in Marokko nog steeds elke dag mensen vermoord worden. Ik herken zijn televisie gebaseerde kennis en ook zijn betweterigheid wanneer hij mijn fiets komt bekijken en zegt dat de olie op de ketting beter vervangen kan worden door siliconenspray én een kettingkast.

Mijn doodsvonnis is gelukkig uitgesteld want ik ben voor ik Marokko betreed al samen met Steve, mijn redder, mijn engel. En we besluiten plotseling om maar door te rijden naar Marokko, of tenminste naar Afrikaans Spanje, ook al is het middag, we hebben er tijd genoeg voor. En zo rijden we door de laatste hippe stad van Spanje, Tarifa: vol kitesurf-shops en opvallend veel Volkswagenbusjes met hippie-achtig volk. Wij, sportievelingen, misstaan hier niet.

De rit gaat langs de punt van Spanje en is één en al bergachtig. De overkant, Afrika, is goed te zien en het verbaasd me, Marokko laat alleen gebergte zien. Ik kan me niet herinneren van een eerder bezoek dat Marokko zoveel bergen had? Maar dat was met het openbaar vervoer en met een trein is de route meestal vlak en reizende in een bus is de spanning om het rijgedrag al opvallend genoeg dat ik heuvels nooit zo opmerkte.

De laatste dag in Spanje laat me rijden langs een sliert aan langzaam rijdende auto’s, allemaal willen ze naar het strand, allemaal kijken ze naar de inspanning die ik maak. Het is zondag en druk op de weg langs het strand. Ik stop een aantal keer om het continent waarop ik sta en het geen waar ik met de ferry van plan ben heen te gaan, in me op te nemen. Je ziet maar een tipje van de sluier, maar je weet hoe enorm veel erachter schuil gaat. Met het besef van dieper reizen is Europa overwonnen.

De route naar Tetouan is rustig maar voor mij een compleet nieuwe beleving. De wereld is anders hier, totaal anders dan een meter terug. Mannen met mutsen op, dikke jassen aan, windjacks en duidelijke armoede, we krijgen ook meteen goede reacties op onze manier van reizen, ‘very good’ hoor ik mannen zeggen. Er rijden vele Mercedessen, doorgezakte taxi’s met een blauwe lak op hun ooit luxueuze vehikel. Ik zie geen caravans meer, wel enorm veel Nederlanders, van Marokkaanse afkomst. De hele kuststrook is voorzien van luxe bungalows tot complete Club Med parken en het staat in groot contrast met de dorpjes in de Rif gebergte waar we op af stevenen. De zee is uitnodigend rustig, hier en daar een stelletje volledig gekleed, hun kroost in shorts. Er had geen grotere tegenstelling met Tarifa kunnen zijn. Deze stranden zijn verlaten, doch de hele kuststrook is voorzien van luxe hotelcomplexen.

Aangekomen in de stad blijkt ook de koning hier te overnachten, hij heeft een mooi paleis op het plein van de kasbah. De hele binnenstad binnen de verstevigde muren is afgezet met dranghekken en met moeite wringen we ons door de vast zittende menigte. Ik moet oppassen om niet met mijn fietstassen  achter dozen schoenen, dozen plastic allerhande en fruitstallen te blijven hangen. De overgang is groot: plots ben ik een Afrikaans land, in ieder geval een islamitisch. Magere straatkatten op zoek naar eten, straatstalletjes en karren vol fruit met achter hen bergen afval. Dadels en verse vijgen in overvloed. Mannen in de dikkere djellaba’s met een puntmuts hangend op de rug, bedelaars en schichtige blikken of die vol met aandacht.

Het is ik die naar de receptie van hotels ga om de prijs te vragen en ik die de straat op ga om ontbijt te zoeken. Zo ook nu, de koning is nog in de stad en ik wordt bijna omver gereden door een van zijn gevolg in donkere auto’s. Het is flink zoeken naar een winkeltje dat open is met Ramadan, en zo loop ik tot ik aangetikt wordt door een man. Hoe oplettend… er zit een klodder spuug op mijn rug ‘kijk, hier,’ wijst de man me aan, ‘en daar ook wat, vast een kind die van bovenaf op je heeft getuft.’ Hij wilt me helpen en het afdoen, maar ik ken zijn truckje. Hij wilt me bestelen liever. Ik pak wat toiletpapier uit mijn roze flanzige Hema tasje en wrijf het af. Dan neemt hij het over, wonderlijk hoe snel dat gaat, en dept hij twee keer op mijn rug. Ik ben zeer op mijn hoede; raakt hij me aan op een meer dan zogenaamd behulpzame manier? Nee, het is zeker dat hij me niet besteelt, misschien enkel voelt of ik de wel bekende money-belt draag. Die draag ik niet. Hij is opmerkelijk bedreven, en ik ook. Ik houd afstand en laat hem merken niet gediend te zijn van wát dan ook. Hij loopt door maar ik blijf hem zien, en hij volgt me de hele route terug naar mijn hotel.

Vanuit Tetouan gaan we naar Chefchaouen. Het is een prachtige plek, midden in het Rif gebergte, één van de mooiste plekjes in Marokko, zo beweerd de Lonely Planet. En het is hier zo mooi blauw dat op de avond dat we er moe doorheen waden ik het gevoel heb in een sprookje belandt te zijn. Na een dag fietsen, 63.5 kilometer in iets meer dan 5 uur waar we in totaal 867 meter stijgen om op een hoogte van 570 meter te belanden. De rit vind ik enorm zwaar. En het samen  constante zijn met Steve valt me soms ook best zwaar.

Er is niet veel meer over van mijn eigen ritme en stilte is iets dat ik maar moeilijk bereiken kan. Steve praat teveel wanneer ik stilte wil en hij praat in zichzelf wanneer hij spullen zoekt of zijn tassen inpakt. Ik heb meer alleen-zijn-tijd nodig! En een ritme! Mijn iPod gaat steeds vaker mijn gehooringang in en dan fluistert Snatam Kaur me toe met rustgevende Indiase muziek terwijl Steve in zichzelf praat. Ik ontwaak tegen 11 uur en ga naar bed rond middernacht, of veel later nog. Mijn energie gehalte is compleet om zeep en dit versterkt het fietsen niet, ik besluit er wat aan te gaan doen.

De rit naar Chefchaouen, de eerste rit in Marokko van de kust af, naar een toeristische bestemming, in de Rif. Fietsen in Marokko is anders, ik moet beter opletten, mijn iPod opzetten is niet zo’n goed idee want de bestuurders gebruiken hun claxon om te laten weten dat ze achter je zitten, en niet altijd van plan zijn uit te wijken. Dus ja, ik word af en toe van de weg afgeduwd, de onverharde kant in gedrukt. En dit is geconcentreerd rijden want voor je het weet schuif je hierin weg, ga je omver of er compleet onderuit.

Al gauw sta ik versteld van alweer mannen die vuil opruimen, en dit bij een vuilstort. Het ruikt er zoals het alleen in Afrikaanse of Aziatische landen ruikt. Plastic tasjes en ander rond slingerende rotzooi wordt opgepikt door vuiloppikkers, waarschijnlijk alleen om het niet naar de stad te laten waaien. De route is niet schoon te noemen maar er wordt tenminste aan gewerkt. Dan ligt de route verder bezaaid met hier en daar een raak gereden poes of hond, de één opgezet, gezwollen, de ander geraakt tegen zijn rug en gevild, nu rood, bloedend, gebakken. Een slapende kat ligt er zo bij dat hij voor eeuwig slaapt. Allemaal stinken ze ongelofelijk en het ligt aan de wind wanneer ik ze te ruiken krijg. Dieselwolken, stof en gloeiende uitlaten bewaaien, woelen en betasten me nu, een andere sensatie dan wanneer ik per bus zou reizen, een meer lijfelijke. Poepen langs de kant van de weg is iets lastiger geworden met minder bosjes en de vaak dwalende geitenhoeders, afdekken van mijn drollen en papier hoeft niet meer want het is vaak een enorme bende langs de kant van de weg.

Het is vochtig en klam, een drukkende warmte van 37 graden laat mijn huid op die van een aal lijken, ze glimt en zweet, liters water gaan mijn lichaam door. Geleidelijk ga ik omhoog, tot over 600 meter en het is weer keihard naar beneden, met 60 kilometer per uur is het heerlijk om Marokko en zijn ezels, Marokko en zijn aardewerk, Marokko en zijn droge rivierbeddingen, Marokko en zijn verdorde heuvels, Marokko en zijn 2000 meter hoge toppen aan me voorbij te zien zoeven. Net zo snel als ik een busje zou zitten. De laatst stijging naar Chefchaouen echter, lukt me niet meer. Ik heb het simpelweg niet meer in me. Ik ben leeg. Op. Ik probeer het wel, maar de Rif is me te machtig. Het dorp Chefchaouen ligt nogal hoog en trots te zijn op een flinke heuvel en wij staan daar beneden. Met mijn veertig kilo bagage trek ik het niet. De Rif is echt bergachtig, niet heuvelachtig. Het zijn bérgen.            

We fietsen in deze vijf dagen één uurtje, om uit te zoeken hoe we dit blauwe dorp weer uitkomen zonder helemaal terug naar beneden te moeten. We proberen een weg te vinden zonder teveel te hoeven klimmen, maar die is er niet. Wel fietsen we zo het hart van de medina in en dat is een belevenis op zich: fietsen in de souk! De smalle, blauwe steegjes, de mensen die me aanmoedigen en niet geïrriteerd reageren zoals in Europa, de kasseien die wanneer ze nat zijn je er zo onderuit laten glijden. Zonder mijn bagage trap ik soms zo hard dat het achterwiel slipt en ik niet vooruit kom, mijn armen zijn nu zo gewend aan het gewicht dat ik moeite heb met balans vinden zonder bagage.

We fietsen via Ouezzane (71 kilometer), Souk-El-Arba-Du-Rharb (54 kilometer) wat ‘markt is op woensdag’ betekend, verder via Kénitra (82 kilometer) en zo Rabat in. Het fietsen in de Rif wordt verlicht door Steve, die aanhoudelijk bleef vragen om 10 kilo van me over te nemen en ik die eindelijk toegeef. Niet dat ik eigenwijs of trots ben, ik wil gewoon niet afhankelijk worden van een lager gewicht. Echter, zonder de dry-bag die 10 kilo weegt ben ik opmerkelijk tot meer in staat. Het gevoel van naar achteren getrokken te worden vervalt en mijn uithouding is langer. Ik houd Steve nu bij en voel het verschil meteen. Ik laat hem drie dagen de dry-bag dragen en dan neem ik het weer over.

Fietsen door niet toeristische plaatsen is een heel ander Marokko, toch zeker wanneer ik van Chefchaouen naar Ouezzane rijdt, een aangename rit. Ik ben nog vol in het Rif gebergte die mooie composities vormen met de olijfbomen en dennenbossen. Het is niet enorm steil en met 10 kilo minder voel ik een duidelijk verschil. Ergens onderweg zie ik een Franse Marokkaan uit zijn auto stappen, een fles water in zijn hand. Ik vind het enigszins vreemd dat hij zo abrupt stopt en daar zo pontificaal staat te staan, tot ik door krijg dat hij daar staat om die fles aan ons te overhandigen. Wat aardig!

Verder zie ik een jongen op een ezel met een grote Dr. Dré koptelefoon op, die hier massaal gekopieerd worden. Een kindje rent me achterna en roept ‘taxi’ naar me. We worden weer aangemoedigd alsof we Tour du Maroc doen, wat we ook doen natuurlijk. En in de avond zijn we weer op zoek naar een vegetarische maaltijd, iets dat niet makkelijk is in vlees lievend Marokko. Ik vind een kok bereid een vegetable tagine te maken en zoals een goede tagine gemaakt hoort te worden, duurt het lang voordat deze klaar is. Een uur lang zit ik in de kebabwalmen terwijl Steve fijn aan de wifi zit.

Rijdend in de vlakke natuur in dit deel is er weinig te zien. Het is kaal, zeer onaantrekkelijk en smerig. We rollen langzaam de Rif uit, laten de bergen achter ons. Hooibalen zo groot als huisjes zijn hier dichtgemetseld met modder en zijn de enige interessante bezienswaardigheid. Samen met een bus die op een spoorlijn tot stilstand komt. Dat is pech hebben. Deze moet wel vol met vrouwen zitten want niemand stapt uit. Een enorme knal en een lint aan vuur springen uit een elektriciteitspaal langs de rails, verrassingen alom. De politie laat ook al het verkeer op de drukkere N1 weg stil staan zodat wij over kunnen steken, een erg vriendelijk gebaar.

Dit deel van Marokko lijkt erg arm, vele moeten het doen met een waterput. En waar zouden ze zijn zonder ezeltje die dit water draagt? Ik vind het een opvallend smerig land ook. Het staat enorm in contrast met de kust in het noorden, waar de straten kraakschoon geveegd worden. Ik vind het zelfs zo smerig dat ik me afvraag waarom iedereen altijd over India zit te klagen? Ik vraag me ook af waarom de mensen in zulke smerige omgevingen willen vertoeven? De natuur is mooi, maar de huizen en de enorme hoeveelheid plastic is zo lelijk. Geen één huis is af, vaak is het een bouwval, op elkaar gelegde stenen met een dot cement. Vaak heeft alleen de voorgevel een kleurtje en is de rest in ruw beton of steen gelaten, met cement tussen de voegen eruit druipend in dikke lelijke druipsels. Waarom willen ze zo leven? Hebben ze geen keus? Is het gewoon geen issue? Vast niet. En die afvalberg dan? Er ligt zoveel afval, zoveel plastic tasjes, dat ik denk: is er dan geen sprankje bewustzijn hieromtrent? Alles wordt maar in een flinterdun tasje gewikkeld. Het is één grote plastic fantastic fantasy en het is niet mooi. Als de moslims zeggen zo rein te zijn, zich elke keer te wassen voor de dagelijkse 5 keer bidden, waarom is hun omgeving dan zo’n puinhoop, zo’n rotzooi?!

Ondertussen heeft Steve zijn helm opgezet en hoewel ik die allang niet meer draag en er ook eigenlijk geen zin in heb, besluit ik hem toch ook maar op te zetten. Het fietsen is geconcentreerd rijden hier en ik word soms van de weg af gedrukt, bussen rijden soms zo dichtbij dat je in een luchtstroom mee gezogen wordt. Er is geen vluchtstrook dus ik moet goed opletten, en snelheid wordt weer gemaakt met afdalingen, maakt ons één met het verkeer want wij suizen nu ook weer met meer dan 50 kilometer per uur naar beneden. Ik zie een meterslang spoor waar de geur van vers gebrand rubber vanaf komt, even hiervoor reed Steve nog en net daarvoor haalde een truck mij in. Het blijkt dat de truck zo uit moest wijken dat er niets anders op zat dan remmen, verteld Steve me wanneer ik hem gelukkig heelhuids zie wachten op me.

Toch, er zijn vooruitgangen in dit land te bespeuren. Het vlees hangt niet meer vers in de counter, maar als een zeer slecht geïmiteerd plastic geit. Nu lijkt het of ze varkensvlees verkopen. Zittend in Souk-El-Arba-Du-Rharb, een dorp met de N1 er dwars doorheen waar twee hotels zich aan de straatkant hebben gevestigd, eten we ons ontbijt. Gebakken eieren, half gaar, zwemmend in de olie terwijl Steve alle vliegen om zich heen weg slaat, en ik vraag me af hoe hij dat straks in Afrika gaat doen, waar veel meer vliegen zullen zijn?

De route van Souk-El-Arba-Du-Rharb naar Kénitra is niet mooi. Een understatement misschien? Snel gaat de rit wel, met bijna 19 kilometer per uur zoef ik in 4.5 uur over de in redelijk goede staat zijnde weg. Echt goed geslapen heb ik niet op een bed waar de vering doorheen stak, maar ik ben wel positief. Iets dat Steve niet is. Hij geeft af op alles: hoe lelijk het allemaal is. Dat klopt, alles is lelijk. Waar ik mijn middageten eet, is weinig ambiance, behalve een rottend dier en de geur die dat afgeeft. Het is één grote rotzooi en er is eigenlijk niets moois te zien. Langs de weg liggen hopen vol gepoepte Pampers, allerlei soorten strontgeuren, rioollucht, dieselwalmen, van de vrachtwagen afgevallen meloenen, kratten wegrottend vis en eveneens in die staat verkerende honden en katten. Natuurlijk liggen overal flessen, uiteraard plastic, en keukenafval uit de huizen, want waar anders dan buiten je eigen huis laat je dit?

Maar de weg is vlak en de ezeltjes erlangs worden goed behandeld. De mensen zijn vriendelijk en enthousiast, we worden heel vaak op een hele leuke manier toegezwaaid. Het allerleukste vind ik het jongetje dat meloenen verkoopt en me een high-five aanbiedt, en in het voorbij rijden sla ik vol tegen zijn hand aan, precies zoals hij het wenst. De muziek van Cheb Khaled, hoewel een Algerijn, vindt hier zijn perfecte, enige decor. Alleen hier komt het tot zijn volmaakte recht en om dan dit landschap aan je voorbij te zien trekken is geweldig. Ook mét al zijn tekortkomingen. Al het plastic, al de lelijke huizen, paarden grazend op een vuilnisbelt, ontbreken van orde en de bijpassend netheid, of een smakelijk lunchplekje. Of een houten bed dat vervaarlijk schuivend over de weg mijn kant op komt, van een pick-up truck gevallen die me inhaalt, en ik die moet uitwijken. Is dan een veld vol mint passeren niet een zeer aangename verrassing?

De stad Kénitra binnenkomen is alweer leuk: een drukke Afrikaanse stad. Spannend! Steve laat mij leiden, en ik denk te weten waarom: hij vindt fietsen zoals ik doe gevaarlijk, maar we zijn in Noord Afrika dus ik doe het op zijn Noord Afrikaans! Kansen pakken, niet afwachten. Ik ontdek dat Steve in mijn spoor volgt, vlak achter me, behalve wanneer ik zigzaggend oversteek en voorrang neem. Het is kwestie van techniek, deze manier van fietsen. Ik weet dat de fietser in Marokko niet zulke rechten heeft als in fiets lievend Nederland, dus wanneer ik in de stad mijn risico’s neem ben ik volledig geconcentreerd. En ondertussen zoek ik naar bordjes die een hotel aangeven, naar gevels die een hotel indiceren, naar openslaande autodeuren en geparkeerde auto’s die weg willen rijden, stoplichten die op groen gaan springen en Steve niet al te ver achter me latend…

Komende in een grotere stad zoals Kénitra gaat Steve meteen op onderzoek uit. Ergens vind ik dat heel jongensachtig avontuurlijk, iets dat Steve behouden heeft, de vijftig gepasseerd te zijn. Niet dat hier veel te ontdekken is behalve de Carrefour supermarkt, de Mc.Donald voor gratis wifi en de pizzeria voor zijn gewilde pizza, maar leuk is het wel als hij enthousiast terug komt en al zijn mail gecontroleerd heeft, luxe items gekocht in een kleine Carrefour-keten en heerlijke gebakjes voor me meeneemt. Ik ga genieten van een pot mint thee op het terras naast ons hotel, we schuiven de bedden tegen elkaar aan, slapen een goede nacht en gaan de volgende dag naar Rabat!

Voor degene die de (nog) langere persoonlijke mail gaan ontvangen: die komt eraan!

I'm curious to your view, leave a reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.