Het verhaal uit Tamil Nadu

Here is a link to a page translated in English including many photo’s

Maart 2009 begin ik aan mijn tweede grote klus voor Focus on Education. Marijke introduceert me, vanaf grote afstand, aan Antoni, blijkbaar heeft ze prachtige woorden gesproken met de medewerkers van de stichting Sint Joseph’s Development Trust en ik mag zolang ik wil gratis blijven. Dit is een organisatie gericht op onderwijs, straatkinderen, weeskinderen en allerlei programma’s voor arme, achtergestelde vrouwen. Ik ga een aantal mensen en projecten bezoeken voor Focus on Education maar de grootste taak is een ‘case study’ naar oudere vrouwen en gehandicapte kinderen. Ik krijg een vertaler mee die heel weinig Engels spreekt en ik wordt het veld in gestuurd zonder idee waarom ze deze mensen willen interviewen. Bij de eerste 15 interviews komt dan ook telkens dezelfde vraag terug: waarom interviewen wij deze mensen? Ravi, de vertaler begrijpt mijn vraag niet. Ik voel me een beetje onnozel wanneer ik als antwoord te horen krijg ‘nothing’ en ‘happy’. De vragen zijn respectievelijk of de persoon in kwestie iets veranderd zou willen zien en hoe ze zich voelen. Ik moet mijn vragen dus anders gaan stellen.

Het hoofdkantoor van St. Joseph’s Development Trust ligt in een idyllische omgeving. Dat Antoni, mijn begeleider die meteen voor anderhalve week weg gaat, me voor de hele maand maart inroostert klinkt me als zoete cake. De heuvels rondom zijn hoger dan 2000 meter. Wolken hangen er in slierten voor en zelfs de maan is zoals ik hem vroeger het liefste kleurde: geel met een witte sjerp wolk er voor. De natuur is weelderig wulps groen en vermoeid hangende palmbladeren bedekken hun noten gedeeltelijk. De aarde is rood, dikke hoenen trippelen achter elkaar aan en de wind raast over de nachtelijke grond. Overdag is de atmosfeer warm en de zon brandend. Ik zit midden in een plaatje waar ik als reiziger nooit zou komen. Er zijn geen winkels in de verre omtrek, alleen een weeshuis met 6 moeders en 50 kinderen.

Op onze eerste dag in een klein dorp langs een drukke dorpsweg ben ik de attractie van de dag. Een klas kinderen rent als een winnende groep hordespringers achter Ravi en mij aan, een aluminium schaal vol rijst en een ei in hun handen (elke schooldag krijgen de kinderen gratis eten van de overheid met drie keer per week een ei erbij). Ik heb sterk het idee dat ik gezien wordt als een algehele helper. Lopend door dit dorp wordt ik bekeken als een mirakel. Sommige ouderen heffen hun handen op in namaste, lijken spontaan een gebed te reciteren, nu gericht op een levende, een witte godin. En ik loop daar in mijn stadse Pakistaanse outfit met een nieuwe maar onsamenhangende ‘Fabindia’ dupatta, gekocht voor een gehalveerde prijs die ongeveer gelijk staat aan een vet maandsalaris in dit dorp. De naam van de winkel staat op het etiket en dat moet er dus zo snel mogelijk af getornd worden. Het is echt niet makkelijk om voor elk evenement geschikte kleding te dragen. Als ik de Rajastaanse combo draag lijk ik een woestijnse nomade, als ik de Afghaanse salwar draag lijk ik een moslim, als ik de Pakistaanse setjes draag lijk ik een zuurstok. Ik heb weliswaar een nieuwe Indiase set laten naaien maar als ik die aan trek lijk ik wel de hoofdgast van een trouwfeest te zijn. Maar mijn Pakistaanse khusa trekken ieders aandacht en complimenten. Ik voel me haast een Angelina Jolie op zoek naar kinderen die me bijzonder interessant vinden, maar waar ik noch geld doneer noch directe hulp biedt. Kinderen worden voor de grap aangeboden, teveel flesjes zoete drank ook.

Het fijnste zijn de langere interviews waar Ravi en ik meer gasten worden dan bezoekers. Dit blijkt alleen de eerste dag mogelijk want daarna hebben we 13 interviews per dag en zijn we van half 10 tot 5 uur aan het interviewen. Ik vindt het natuurlijk heerlijk dat ik ook eens kan interviewen want altijd ben ik degene die geïnterviewd word. Leeftijden en inkomen zijn er niets bij, ik kan vragen naar alles. En alles wordt beantwoord. Als Ravi me tenminste begrijpt. Maar als het even kan wordt ik ook besproken: mijn kleding komt aan bod, mijn status en korte haar zijn de favorieten. Ravi praat graag, vooral met de mensen die zich om de geïnterviewde verzameld hebben. Elke middag gaan we rond twee uur eten en dat gebeurd in de meest pittoreske eetstalletjes waar de zuid Indiase paratha’s geen groter verschil kunnen maken met degene die ik in elkaar flanste in de vallei. We eten er ieder vier.

Wanneer we worden omringt door een grote groep aan oude vrouwen (en een vrouw is hier oud wanneer ze 45 jaar is, dan kan ze een pensioen aanvragen) wordt er aanhoudend gesmeekt. Hun bedes zijn aan mij gericht en als ik ze door verwijs naar Ravi spreekt Ravi ze ruw maar met een lach toe en verleggen ze hun aandacht weer, hun hoofden op mijn voeten en hun gerimpelde handen om mijn armen. Ze vragen me om geld, ze smeken om ook geïnterviewd te worden en ze duiden me hun klachten aan.

 De aunti’s en amma’s van het weeshuis Pudupunal waar ik verblijf hebben onderling veel te bespreken met een nieuwe bewoner in hun midden. Elke dag wordt gevraagd hoe oud ik ben. Wanneer ik 37 antwoord vertalen zij dat naar 27, pas na twee weken ontdekken ze dat mijn antwoord klopt, omdat ik het elke avond opnieuw herhaal. Wanneer de aunti’s naar mijn kamer komen om lunch te brengen doen ze dat het liefste in afwisselende groepjes van steeds andere aunti’s en meisjes en allemaal gaan ze als ratjes door mijn spullen, alles wordt geopend en alles wordt bekeken, zelfs de gebruikte theezakjes zijn interessant. Ook wat er in de afvalemmer ligt wordt beoordeelt. Waar de Kalasha-meisjes dit nog redelijk besmuikt deden doen de Tamil-meisjes dit met een groot gemis aan ingehouden fatsoen. Maar misschien komt dat omdat ze zelf niets bezitten, dus alles wordt vast gepakt, bekeken en weer terug gemikt. Aunti’s zijn steevast geïnteresseerd in mijn mobiel en vragen elke keer of ik hem wel gebruik. Wanneer handen door mijn dagboek willen ruisen zeg ik ‘no’ en de jonge aunti zegt: ‘This is private, don’t touch.’

Ik kan niet als een tijdelijke aunti gezien worden: ik ben te lief voor de kinderen. Elke avond wordt ik bedolven onder een stapel kinderen en wanneer ik zachtjes probeer duidelijk te maken dat ik wil stoppen met hun spelletje van ‘Twister-op-mijn-lichaam’ of menselijke skippybal, dan lachen ze me uit en doen ze me na. Dus gaan we door met hun spelletjes, bang dat ze me anders niet meer leuk vinden. Dat ze me niet meer tegemoet rennen. Pas aan het einde van de laatste week merk ik dat het zo niet werkt met kinderen. Een meisje fluistert me nu al een paar avonden een woord in de oren, een woord dat niet hoort dus wanneer de strenge aunti het te weten komt via een huilend en op de grond liggende Judha wordt ze flink gestraft. Eerst krijgt ze een aantal klappen op haar wang en met verdrietige ogen vol tranen en vol berouw moet ze ‘sorry aunti’ tegen me zeggen, maar ze heeft niets fout gedaan bij mij, behalve mij een vies woord aangeleerd waarvan ik de betekenis toch niet ken. De warme, verse melk die ik elke avond mee naar mijn kamer neem, smaakt opeens minder lekker en ik voel me de schuldige omdat ik geen grenzen kan stellen. De volgende dag lijkt dit meisje alles vergeten te zijn en lacht ze haar lieve lach naar me, knippert haar korte wimpertjes waarachter donkere bruine ogen me pittig en zoet aankijken.

In het begin eet ik op mijn kamer, op Antoni’s advies ‘anders wordt je zo aangekeken.’ Maar al heel gauw kom ik elke avond naar de kinderen toe waar ik kijkend naar hen in een kring onder de donkerblauwe hemel van idli en dosa eet. De kinderen eten erg veel, wegens een tekort aan aandacht, zo zegt één van de amma’s, er zijn immers 5 moeders die samen 53 kinderen hebben. Martha en Maria zijn een aantrekkelijke tweeling die niet ver meer van de huwbare leeftijd af zijn, er zijn heel wat zusjes en veel meer meisjes dan de 7 jongens. Kleine Arul met zijn dunne beentjes en bolle buik komt me elke avond tegemoet wanneer ik van het rode zandpad bedekt met hooi naar de 6 weeshuisjes kom, waarbij zijn beentjes sneller lijken te rennen als het lichaampje aan kan. Aguila is een meisje van 5 die graag mijn haar probeert te kammen, mijn -denkbeeldige- vlooien wilt vangen en aan het kleine wratje in mijn nek draait en me onaangekondigd achterlangs omhelst. Judha ziet mij als zijn bezit en elke avond spelen we een spelletje waarbij we handen klappen op de namen van de maand. De groept groeit en groeit en het nieuwste weesmeisje lijkt geen verlegenheid te kennen en overwint iedereen en altijd met niet alleen haar tactiek die ineens iedereen imiteert maar ook met haar schoonheid waarvan ze zich niet bewust is, haar sexy voorkomen hoewel ze pas 8 is en haar natuurlijke elegance. Ik kan mijn ogen niet van haar afhouden en zij lacht de kuiltjes in haar wangen tot me. Vaak voeren ze spontaan dansjes op waarbij zij de kleinste gebaren te vrouwelijk voor een kind imiteert, maar ook valt haar rokje van haar heupjes wanneer ze staande schommelt, en ze glijdt gewoon nog achterste voren van de glijbaan. Een blij kind. Zonder moeite vloeien ze dit weeshuis binnen, achtergelaten door een moeder die haar meer kansen wilt geven dan ze zelf ooit aan kan. Een moeder met al teveel kinderen die huilend en snotterend een meisje af staat. Of een moeder die opgeslokt is door de golven van een tsunami. Of weggelegd op de trappen van een kerk. Zusjes met maar een paar jaar verschil, een tweeling of een baby die altijd lacht, dik is en Fatima heet. Of een Arul, een jongetje die geen verdriet kent, geen vijand heeft en geen liefde verspilt.

Ik ben 5 weken in Pudupunal, het weeshuis en steeds meer kinderen zoeken toenadering, zelfs het jongetje dat de eerste avonden dromerig en alleen naar de vuurvelden op de berg in de verte kijkt. Zijn handen voelen hard en eelterig maar zijn slag is zacht en onzeker wanneer we het spelletje met de maanden spelen. Arul valt meerdere malen in slaap op mijn gekruiste benen en ik wordt omarmd en gestreeld door de meisjes terwijl Judha het alleenrecht wilt behouden en dus op me springt en iedereen die kleiner is wegduwt. En zo ontstaat er weer een ‘Twister’.

De avondlucht is soms oranje en rood en lila en transparant. Wolken drijven in een snel schouwspel boven en onder elkaar langs, de zakkende zon verandert hun toon en de horizon is zo divers dat ik mee getrokken wordt naar een sfeer van dronkenschap. Pauwen met een vol verenbed fladderen door de lucht en hoenen kwetteren wanneer zij een goed stukje grond hebben gevonden, om razendsnel weer om te keren als ze een mensdier zien. Onaangekondigd en in perfecte samenkomst. De twee kalkoenen produceren geluiden op precies hetzelfde moment, misschien is het een lokroep naar de derde die wij eten op Paasdag. Grote torren vliegen door de spijlen van de open ramen, hun vleugels luid flapperend en hun zware insectenlichaam telkens tegen de muur opbotsend. Zou dit pijn doen? Vast wel. Ze botsen net zo lang door tot ze het open raam bij toeval tegemoet vliegen. Mugvliegen bouwen kleine huisjes van de rode aarde die ze overal tegenaan plakken, als ik ze te laat ontdek liggen er al wormen en maden in te broeden, hun doorzichtige lijfjes bonkend en levend. De nachten zijn vol omgekomen insecten, levenloos op de betonnen betegelde vloer waar minimieren nooit lijken te stoppen met hun werk. Elke avond zitten er twee dikke padden voor de deur en moet ik om ze heen lopen om vertrapping of bespringen te voorkomen.

You cannot discover new oceans unless you have the courage to lose sight of the shore. Vodafone.

Om de vier dagen moet ik naar het dorp Batlagundu, met de bus 20 minuten verderop. Er zijn geen winkels in de omtrek van Pudupunal. Maar zelfs in Batlagundu is het geen walhalla, theezakjes bestaan hier niet. Wanneer ik naast de weg sta te wachten op een bus spreekt een mannelijke medewerker van SJDT me aan: ‘Heb je kinderen? Ben je getrouwd?’ en wanneer ook de laatste vraag met een ‘nee’ beantwoord wordt, ’Je zet je dus volledig in voor de minder bedeelde?’ concludeert hij dat ik verloren ben. Ik ben immers niet getrouwd en ben ook geen non. Ook Antoni, ook katholiek, vindt dat ik iets moet doen, al is het maar een boek schrijven. Zij zijn misschien stoomboten, varend in een richting, naar een kade welbekend in hoofden vol ideeën. Ik ben een bootje, van hout met verf die afbladert van het zoute water, dobberend op zee, deinend met de golven van onbewoond eilandje naar weelderige kusten. En een tekst als die van Vodafone ontvang ik wanneer ik met Ravi na een dag interviewen langs de kant van een weg wacht op een bus. Een bus die keihard Tamil-films showt waar verlegen meisjes met me in contact willen komen en verlegen giechelen als iemand durft te praten en ik die me afvraag hoe hun eerste huwelijksnacht moet gaan worden. We rijden langs paarse, groene en blauw geschilderde huizen waar letters op geschilderd zijn waar nieuwe verkiezingsposters moeten worden geplakt. De natuur is onvertrapt en fel suikerriet en jonge rijstvelden schakelen over naar kokosnootplantages waar de mensen die er werken als miniatuur mensjes transformeren. De laagstaande zon schijnt door een waas haar licht als een piramide over de grote berg waar velden groen als gifslangen bevangen worden door het late middaglicht. Foute Tamil filmposters sieren de muren waar grote borsten regeren en bijna uit hun neplederen korset of te strak zittende bloesje ploppen. De hoorn van de koeien zijn getoefd met een koperen versiersel, fel gekleurd of in de kleuren van de Indiase vlag geschilderd. Koeien worden gewassen en mannen met walrussnorren sieren de wegen op met hun opgeknoopte dhoti’s en steevast geruite overhemden. Wanneer we bijna thuis komen geniet ik nog even goed van de wind die langs mijn benen en kameez door glijdt en wanneer ik in bed lig hoor ik de wereld die hier rustig en afgelegen is aan me voorbij komen: de trucks die van staat naar staat rijden, hun cabines blauw verlicht. Ik hoor krekels en muggen zoemen, de ghekko gilt en een stel honden blaffen…

Eén van de mooie verschijnselen van ergens langer te blijven is dat je dieper doordringt in een cultuur, behalve de wetenschap dat er voor de oudere vrouwen in deze samenleving geen plaats meer is. Ik zie vrouwen die ik anders nooit gezien zou hebben in het voorbij rijden: vrouwen met een fortuin aan goud in hun oren. Zware kunstwerkjes aan geometrische gouden blokjes hebben hun oorlellen uitgerekt tot centimeters beneden de originele lengte. Hun oorschelpen zijn voorzien van delicate staafjes goud en hangende ornamentjes. Dat wil ik ook. Dus ik ga naar de duurste goudsmid van Madurai ‘Allukkas’. Niet dat ik zoveel pretentie en geld heb maar meer omdat ik daar heen gestuurd wordt door een vrouw uit het simpele eettentje naast de busstand. Ravi heeft me verteld dat deze traditionele gouden oorstaafjes alleen in Nillakotai te vinden zijn maar omdat ik geen geld heb moet ik eerst naar de stad om te pinnen en omdat de rit twee uur duurt maak ik van de nood (die alleen een aangename nood is) een uitje. Het plezierige van alleen reizen. En dus betreedt ik Alukkaz met vettig pinhaar (net een dag te laat met wassen), bestofte khusa’s en ongewassen handen die nog ruiken naar paratha en omelet. Ik voel me enigszins misplaatst tussen al het trouwgoud, platinum en diamantgehalte. Ik vindt wat ik mooi vind, koop het en ding niet eens af. Dat doet de verkoper voor me, hij geeft een korting. Pas thuis zie ik dat de staafjes nooit in mijn net geprikte gaatjes gaan passen en dat ik, net als de vrouwen hier, het een en ander op moet gaan rekken.

Pudu Yugam

Het bezoek aan Pudu Yugam in Madurai is me een groot vraagteken. Ik wordt opgevangen door de drie medewerkers maar niemand spreek Engels. Trouwvol en geheel volgens de regels krijg ik allerlei schema’s, mappen en case-studies onder ogen, maar allemaal in Tamil.

Pas wanneer ik met hoofdcoördinator Ramachandran in sloppenwijk Avaniapuram sta dringt het een beetje tot me door. Ramachandran spreekt iets meer Engels en zo kom ik te weten dat deze afdeling van St. Joseph’s Development Trust de kinderen een betere toekomst wilt bieden. Maar wel zonder het genot van een heet schuimende thee, want Ramachandran weerhoudt me iets te bezorgd van een drankje naast de theekraam waar we staan. Uitgebaat door een jongen die geadviseerd is door Ramachandran en zijn team.

Er worden geen onnatuurlijke hoge verwachtingen gesteld, noch beloofd. Donaties vanuit Nederland worden niet gelokt met mooie beloften omrand met gouden tierlantijntjes. Het zijn bereikbare en realistische doelen. Hier in deze krottenwijk staan 360 huizen. Gebouwd van afval en gevonden materiaal en elk huisje grenst aan het andere huisje. Rij achter rij zodat het een minidorp in kleine uitgave wordt. Lage krotjes met kleine ingangen, geen raampjes en geen grondbedekking. Het biedt weliswaar meer luxe dan een plastic krot, met verder de welbekende geulen vol afval, poep en plas. Al deze families, en dat zijn 1600 mensen in totaal, verdienen hun geld met de schoonmaakbusiness. In India een karweitje voor de kasteloze, zij die niet aangeraakt en aangekeken worden door de hogere kasten. En dat is dus iedereen. Ouders van kinderen uit deze situatie doen ook maar wat zij kennen, dat wat zij hun hele leven al doen en zullen blijven doen. Dit is hun beroep omdat het hun ouders hun beroep was en daarom wordt het een beroep van de kinderen: het schoonmaken van septische tanks, geulen en tonnen met poep. Ook het oppikken van vuil hoort tot de werkzaamheden. Hoe meer kinderen hoe meer inkomsten. Daarom gaan de jongens van Ramachandran’s groep elk minuscuul huisje langs om de ouders ervan bewust te maken dat school niet alleen de kinderen een betere en gezondere toekomst biedt, maar ook henzelf. Ze bezoeken alle families en komen geregeld terug voor meer bezoeken. Deze ouders houden op hun manier van hun kinderen maar misschien wel door drugs, alcohol en een afbraak van cellen door intensief giftig werk, zien zij geen heil in school. Deze ouders houden waarschijnlijk op hun manier van hun kinderen maar hebben er nooit om gevraagd, zij komen en zij gaan en in de tijd ertussen is het overleven.

Dit soort wijken worden jaarlijks geboren, het aantal arme groeit. Mensen uit de dorpen trekken naar de stad voor werkvoorziening en belanden op straat om uiteindelijk opgenomen te worden in een achterstandswijk waardoor organisaties als deze, helaas, nooit zonder werk zitten.

Kinderen die op straat leven, omdat ze er voor hebben gekozen, omdat hun ouders het niets kan schelen, omdat hun ouders misschien verslaafd zijn of gewoon niet naar ze omkijken, worden gevraagd of ze hun leven een andere richting willen geven. Kinderen die nog wel bij hun ouders wonen maar fulltime werken krijgen de keuze om beter werk te gaan doen.

Ik kom ook in contact met Augustine. Hij leidt een tweede Pudu Yugam in Dindigul en doet dit met zoveel inzet en overgave dat hij vrijwel geen privé leven heeft. Wel een huis met een heel klein huiskamertje en 2 verdiepingen met 34 kinderen waar 640 jongens hun al voor zijn gegaan. Zij hebben geen ouders of alleen een vader of alleen een moeder die niet voor hem kan zorgen. Of niet wilt. VJ Ray is zo iemand. Hij is een jongen van puberachtige leeftijd die er als een kind uitziet: klein, jong en heel onschuldig. Op zijn twaalfde is hij weg gelopen van zijn ouderlijke huis in Bangalore. Hij had geld gespaard en stapt daarmee de trein op. Een straatkind uit een probleemgezin. Van Bangalore belandt hij in Dindigul waar de politie hem oppikt van het station en aflevert bij Pudu Yugam. Wanneer ik met hem praat zegt hij dat hij niet naar huis wilt, zijn moeder is wel geïnteresseerd in hem maar hij wil de eerst komende jaren nog hier blijven.

Kinderen van de straat halen is nog niet zo gemakkelijk. Vooral niet als ze werken en geld binnen brengen. De ouders werken dan ineens flink tegen. Officieel mag er onder de 18 jaar niet gewerkt worden maar als ik zit te eten met Augustine en zijn familie vertellen ze me dat er een dag eerder een fabriek beboet is wegens een kind te laten werken. Dit is vast een spelletje van de overheid -in een land waar 1.3 miljoen mensen wonen heet zoiets een spelletje- maar de boete van 1000 euro geeft wel een kind de kans naar school te gaan. De ouders worden gewaarschuwd met een gevangenisstraf en hun kind gaat vervolgens tegen zijn of haar zin naar school omdat een straatkind nu ineens onderhevig is aan regelmaat en discipline en veel erger nog: beroofd van vrijheid. Daarom zorgen opvanghuizen als Pudu Yugam ervoor dat straatkinderen gelokt worden met leuke dingen als TV, uitjes en spelletjes. Een kind dat werkt of rond dwaalt en geen toezicht heeft geniet van een bepaalde mate van vrijheid en wil dat niet zomaar opgeven voor alles wat haaks staat op zijn oude, bekende leventje, hoe hard ook. Het programma van Augustine zijn weeshuis is strak: om half vijf begint de dag en om 8 uur is die gedaan van taken en leren. Dan zijn de jongens vrij maar ontstaat er geen Annie-spectakel. Er is immers een groepsleider onder de jonge jongens. Er mag TV gekeken worden maar omdat er hele kleine jongetjes bij zijn gaat de zender over naar een andere als er slangen langs komen. Animal Planet en Discovery zijn favoriet bij de jongens en als ik vraag of er ooit ruzie is bij het kiezen van een programma zeggen zij ‘nee’. Augustine fluistert me toe dat er respect is voor de groepsleider en dat betekend dus een spurt naar beneden om Augustine te waarschuwen…

Daarom wordt niet alleen een kind aangesproken maar ook de omgeving. Awareness programs worden gegeven op straat, er worden rally’s gehouden en toneelstukjes opgevoerd zodat het elke doelgroep kan bereiken. De dochter van Augustine is heel aware, heel slim ook en nog meer gedreven. Als ik zeg in Pakistan te zijn geweest, roept ze, met een stem vol afschuw: ‘Pakistan?’ Ze lacht me uit, zenuwachtig. ‘Wij haten Pakistan,’ zegt ze en ik vraag waarom. ‘Omdat zij ons aanvallen, zij zijn de schuldigen.’ Waar twee vechten hebben twee schuld, zeg ik tegen haar terwijl haar vader en moeder ons aanhoren. Ze is nog te jong om een eigen mening gevormd te hebben en dus moet deze van haar directe omgeving komen en dus moet ik oppassen met wat ik zeg: ‘Pakistan wordt door vele benadeeld en meteen beschuldigd, terwijl het niet de bevolking is die slecht is.’ Daar denkt ze even over na terwijl ik het er net even dieper in smeer en zeg dat zij en de bevolking van Pakistan eigenlijk één is, als broer en zus gezien kan worden.

Pakistani zeggen niet snel zulke dingen, zij zijn meer pacifist -ondanks de problematiek in het land- en als Augustine’s dochter zich bedacht heeft over Pakistan neemt ze mijn zwarte, net gepoetste en opgelapte khusa schoenen onder de loep. Ze complimenteert me met mijn schoentjes, als ook met mijn groen gesteende ring. Ze is ontsteld als ik antwoord dat beide uit Pakistan komen. Ze is onder de indruk van een land met zulke mooie dingen.

Als je in India met de trein reist kom je ze geregeld tegen: die door en door smerige kinderen die met hun enige kledingstuk de vloer aanvegen. Op hun eelterige knieën kruipen ze voort en met een droevige gezichtsuitdrukking proberen ze nog nederiger over te komen door onder de zetel waarop je zit het vuil bij een te rapen. Wanneer de hele coupe dan schoon geveegd is komen ze geld ophalen. Deze jongens hebben een schijnbaar rot leven, vol armoede en wanhoop, maar het is verdomde moeilijk om ze over te halen naar een stabielere omgeving waar ze langzaam klaar gestoomd worden voor een zinvoller en voorspoediger leven. Want hoe haal je een eendagsvlieg over een cocon te weven?

Deze treinkinderen reizen vrij rond, in een land als India dat voor hen geen grenzen kent. Hun ouders ergens waarvan zij niet eens willen weten waar, als ze nog leven. Deze kinderen, anders dan de gewone straatkinderen, leven in groepsverband en reizen van Madurai naar Chennai naar Trivandrum om met het opgehaalde geld niet hun treinticket te betalen maar een chicken biryani te bestellen. Nadat ze natuurlijk eerst hun vervuilde kleding verwisseld hebben voor nette, schone broeken en shirts. Het groepje straatkinderen verandert zo ineens in een kliek stadse jochies dat een schijnbaar leuk leventje leidt: lekker eten, mooie kleding en vrijheid. En die vrijheid is het grootste goed. Maar alleen voor een dag, want morgen kan alles anders zijn.

Morgen kan er ineens een man komen die je vraagt naar zijn kantoor te komen. Voor te rusten. Om zich in de ochtend te wassen zodat hij fris de straat weer op kan. Om eens lekker te slapen in een veilige omgeving, beter dan buiten op de stoffige straat waar de politie je weg schopt. Om ongestoord televisie te kijken, toch weer eens wat anders dan vanaf de overvolle stoep een winkel in kijken waar je niet eens naar binnen durft te gaan. De man nodigt zo’n kind uit om met andere kinderen van zijn leeftijd samen te komen, om te spelen bijvoorbeeld. Natuurlijk springt de man, de medewerker van St. Joseph’s Development Trust niet meteen op zo’n straatkind af alsof het een kinderlokker is die hem eens gauw de gevangenis in wilt stoppen, want zo zal het wel voelen voor een straatkind.

Het kind wordt eerst geïdentificeerd. Straatkinderen zijn te herkennen daar waar zij zich ophouden bij tempels, markten, busstations en treinstations. Ze worden aangesproken en zijn dan natuurlijk meteen wantrouwig, want wat moet zo’n nette meneer van me? De medewerker moet zijn verhaal rustig opbouwen, het kind vooral niet overhalen naar zijn kantoor te gaan, maar rustig aanmoedigen dat het best heel leuk kan zijn. De target is om 100 straatkinderen per jaar een betere plaats te bieden dan waar hij nu in zijn gemiddeld 15 jaar jonge leventje staat. Na de identificatie word geprobeerd om de kinderen terug in contact te brengen met zijn of haar ouders (jongetjes willen vaker op zichzelf blijven waar meisjes toch graag kiezen voor de veiligheid en het vertrouwen van hun familie). Als de ouders of het kind geen contact met elkaar willen gaat het kind door naar een plekje waar het zijn toekomst kan gaan opbouwen: een werkplek. Op straat is er vrijwel geen toekomst op te bouwen en hoewel een gelukkige dag voor veel inkomsten kan zorgen, blijft de volgende dag altijd een vaag verlangen of donkere tunnel zonder zichtbaar eind.

De kinderen krijgen een medisch onderzoek en dan begint een traject dat nog het meest lijkt op een stoomtrein. Lekker warm van binnen en met een vaartje komen ze aan op de bestemming die ze willen. Er wordt hen geleerd om op een leuke manier met andere jongetjes en meisjes om te gaan, plezier te hebben en ze een gevoel van verbondenheid te geven. Ze krijgen yoga en doen mee aan festivals en bijeenkomsten om andere mensen weer bewust te maken van kinderarbeid en straatkinderen. Ze leren warmte en liefde kennen. Ze herontdekken kracht en vertrouwen, god en liefde, en ik ontdek een jongen die Marijke en Jacques in hun hart dragen.

Kalliapan is een jongen die opgroeide in een familie van zelfmartelaars. Straatmensen die zichzelf verwonden en daarvan een straatshow opvoeren waarmee ze geld ophalen. Hij verzette zich tegen deze vorm van levensvoorziening en koos de straat als zijn opvang, maar dan zonder de zelfverminking. Via St. Joseph’s Development Trust is hij opgepikt en aan een baantje geholpen, waar hij vervolgens zijn arm in een ongeluk verliest. Voor deze amputatie heeft iemand van de organisatie hard zijn best gedaan om de wettelijke vergoeding op te eisen. Kalliapan werd voor het ongeluk al voor de keus gesteld, maar hij wilde liever werken dan onderwijs volgen en nu hij een geldbedrag had, had hij kunnen kiezen voor kniezen, negativiteit en drank, maar koos hij voor zijn droom: een theestal. Hij is nu negentien jaar, kan in zijn eigen levensonderhoud voorzien en heeft zelfs een knechtje in dienst, een jongen die hij kende van de straat. Samen zijn zij straatkinderen geweest. Hij spaart voor een sorbetmachine want als het echt warm wordt in Zuidelijk India stromen de truckchauffeurs in drommen voor zijn theestal. Verder wilt hij sparen zodat hij een vrouw kan trouwen en samen een gezinnetje kan stichten. Samen met Augustine drink ik een goed gebrouwen chai van Kalliapan en zijn ogen stralen als we praten over ‘Mary and Jack’, die hij ziet als zijn speciale engeltjes.

Pudu Udayam

Dertien meisjes en vijfendertig jongens die verstandelijk gehandicapt zijn en ineens stap ik hun klaslokaal binnen. Vanaf dat moment tot wanneer ik weer vertrek is er een constante stroom aan ongecontroleerde aandacht en intense competitie. Als een blinde, ongeoriënteerde zenuwachtige poedel trippel ik aan de hand van telkens een ander naar de linkermuur, naar de rechtermuur en naar de voor- en achterkant van de muren. Ik wordt besprongen en bejubeld. Urenlang. Deze kinderen zouden normaal gezien genegeerd worden en het grootste deel van hun leven thuis opgesloten zitten, maar hebben het geluk hier heen te zijn gebracht. Ze krijgen -een poging tot- les en fysiotherapie en hoewel ze in de ogen van hun ouders gek en waardeloos zijn en niets kunnen, is er wel duidelijk een verschil merkbaar wanneer zij de leeftijd bereikt hebben weer naar huis te moeten gaan, als de ouders hen tenminste terug willen nemen…

De kinderen zijn intens en ik zonder controle over ze te hebben wordt al snel bekogeld met potloden zonder punten, kleurboeken en kaarten. Hangsloten hangen al vervaarlijk dicht bij mijn hoofd te bungelen, als ook het raampje dat bijna dicht gegooid wordt met mijn hoofd ertussen. Iemand ziet alweer het wratachtige pukkeltje in mijn hals en draait eraan. Een ander kamt mijn haar terwijl weer een ander zijn vingers erdoor heen gaan aan de achterkant. Jongens kietelen me en meisjes knijpen in mijn borst. Ik moet iedereen kussen en optillen want als ik dat bij één iemand doet moet ik dat bij iedereen doen, leer ik heel snel. Iedereen laat me trots zijn verwonding zien, van een bloedende kras op haar kaak, een kapot gevallen knie, een wondje in een mondhoek waar een hagedis op gepist heeft tot een immens litteken dat een meisjesbuik door midden snijdt. Mijn kleding wordt ook omhoog getrokken want zij doen dat immers ook. Als een jongen zich tegen me aanklampt voel ik verschrikt zijn opgezwollen piemel.

Na een propvolle werkdag zit ik vermoeid en voldaan op het stoepje voor mijn kamertje. Ik heb nergens energie voor dan zittend in kleermakershouding naar de lucht te kijken, naar de hoenen te tokkelen en vol overgave naar Sebastiaan te lachen. Sebastiaan is broeder en stichter van deze organisatie en zegt dat ik hier niet ben voor vakantie. Hij wilt dat ik mee naar de kerk ga en ik heb een legitieme smoes dat ik moe ben van een dag hard werken. In zijn smetloze dhoti en antiformele T-shirt ontdek ik meteen dat broeder Sebastiaan niet de doorsnee Indiër is die doorsnee Indiërs doorgaans zijn als ze een hoge functie vervullen. We komen soms samen aan het avondmaal waar de Paasmaaltijd met kalkoen en stil zittende kinderen het kroontje vormt. We gaan met een minibus naar de kerk wanneer ik op een zondag geen smoes kan verzinnen en waar het oude ziekenhuisbusje van Pudu Vasandham een lading welopgevoede meisjes uitspuugt. Een sterk staaltje van de opvoedkundige aldaar en waar ik nu naast zit, mezelf een respectvolle houding aan te meten als het op kerkelijkheid aankomt.

Broeder Sebastiaan en ik praten veel en vlot. Hij leert me dat de oudere meisjes extra kosten met zich meebrengen. Zij hebben namelijk beugels nodig omdat anders hun huwelijksmogelijkheden vrijwel vervallen. De tanden van een aantal meisjes staan enthousiast naar voren gericht en ook al bezitten zij verfrissende schoonheid van een bloemetje in ochtendglorie, het ontbreekt hen aan familie en zonder een netwerk aan sterke, invloedrijke schoonbroers en, erg belangrijk, een vader en een moeder die dowry kunnen schenken. Als weesjes hebben zij weinig kansen. Eén meisje is uitgehuwelijkt aan een familielid van Sebastiaan, maar alleen omdat Sebastiaan een netwerk van zijn eigen familie kon aanbieden, en een heel klein beetje dowry. Dat is de norm: gouden oorbellen en kettingen en linnengoed.

We bespreken de nadelen van globalisatie. Daar waar hoenen om ons heen tokkelen, niet wetend dat één van de andere soort gevederde broertjes geslacht gaat worden, waar melkkoeien losbreken van hun aan elkaar geflanste touwen en waar een meisje met vooruitstekende tanden en beugel er achter na rent, zegt Sebastiaan dat de grote industrie alsmaar groeit, de kleinere fabrieken verdwijnen. Dat een klein deel van de bevolking economisch enorm groeit en de prijzen daarom omhoog gaan, en dat daarom de armen weer eens de dupe zijn. Wanneer hij als stichter van de organisatie dorpen bezoekt wordt hij, net als ik, gezien als de man met de zak. Nu, dat klopt. Maar de simpele dorpelingen denken dat het zakken vol geld zijn die hij hier uit komt delen. Deze dorpsmensen zien niet wat een werk, organisatie en mensen erachter staan. Zij zien alleen een blanke of een volslanke en netjes geklede Indiër en beide betekenen rijkdom. De realiteit wordt dagelijks anders in mijn beleving…

De laatste avond dat ik in het weeshuis verblijf wordt er een show voor me opgevoerd waar ik meer het showelement blijk te zijn dan de show zelf. Ik wordt potsierlijk op het podium gezet en moet een toespraak houden en dan ter afsluiting spontaan verrast uiting van blijdschap geven over een cadeau dat ik aangereikt krijg. Verrast ben ik zeker, helemaal wanneer het een oversized synthetische blauwe trainingsbroek met drie witte strepen is en een harde plastic rugzak waar ik er al twee van meezeul. Deze geef ik de volgende dag aan de riksjarijder met de gedachte aan de leuke show. Maar de voorpret was eigenlijk leuker. Al de kinderen die mee mogen doen aan de opvoering worden netjes aangekleed en gesmincked. Wanneer het eerste meisje met sminck naar me toe komt denk ik dat ze de dag ervoor een harde klap op haar wang heeft gehad maar na inspectie blijkt het blauwe oogschaduw die door moet gaan voor rouge. Lippenstift zit naast hun mondjes en de nep gouden klipoorbellen vallen telkens van hun kleine oorlelletjes af, of blijven haken in een ander haar gehaakte hes. Hun haar is zo vet als een olievlek waar elke eend meteen zijn verendek mee zou vernielen en hun enthousiasme is druipend van verlangen. Verlangen om op te mogen treden, meisje te kunnen zijn. Zij zijn het geliefde kind van al deze vijf moeders, waarvan er eentje Madonna heet. Moeders die hier soms werken omdat zij iedereen verloren hebben in de tsunami, of omdat zij zelf buiten de maatschappij gezet zijn. Maar in één moeder zie ik een constant verdriet en zij is het minst aardig tegen de kinderen, het meest geïrriteerd en haar lach verschijnt vooral wanneer ik langs haar loop. De laatste avond dat wij samen eten verontschuldigen zij zich allen ervoor dat mijn eten zo simpel is, terwijl ik ervan geniet. Ze leggen uit waarom ze de kinderen af en toe slaan, terwijl ik daar geen tegenstander van ben, vooral als je er meer dan 50 hebt. Ik leg ze uit dat ik hen bewonder, om de keuze die ze gemaakt hebben en hoe dat ze die uitvoeren, want zij zijn de drijvende kracht achter deze kinderen.

Ik ben zes weken in het weeshuis gebleven en nadat ik de case-study en fundraising afgehandeld heb, iets dat langer dan twee weken duurde en erg vermoeiend en saai was, ga ik naar Madurai. Liever ga ik meteen door naar een ashram of een goed en goedkoop yogacentrum maar ik wil ook graag Marijke en Jacques tot in detail helpen en dus besluit ik twee dagen naar Madurai te gaan. Twee dagen worden er meer en de indrukwekkende Meenakshi tempel aldaar heeft heel wat meer dan een eeuwenoude godheid ver weg verstopt voor iedereen die geen hindoe is…

En terwijl ik dus in dat kleine kantoortje te Madurai zit probeer ik me goed te concentreren op wat het ‘straatkinderen project’ nu inhoudt. Ramachandran, Karthick, Parameshwaran en Pandi Yaraja vertellen me heel veel, maar ik ga het pas echt begrijpen als ik het zelf zie, dus na heel veel papierwerk en getallen en cijfers dring ik aan om mee op stap te gaan. Ik denk dat Ramachandran dat ook een goed idee vindt hoewel het hem vast afschrikt dat ik een foreigner ben en dus van luxe houdt. Wanneer de misverstanden van duur eten in een airconditioned hotel en vervoer via antieke bussen en tweedeklas treinen en poepen op een hurktoilet uit de weg zijn geruimd gaan we op pad.

Ik krijg het verhaal van de grotere jongen Surej die op de Bajaj werkplaats werkt te horen en van Pandi Raja. Hij is 13 jaar, heeft een nog kinderlijk voorkomen, een lief gezichtje vol zwarte verf. Als een kitten vol slagroom. Hij is uit de familie gezet. Gewoon omdat de vader van Pandi Raja hertrouwt is nadat zijn vrouw overleed en de nieuwe moeder geen zin heeft in kinderen die niet van haar zelf zijn. De vader is zo zwak dat hij niet eens protesteert en zo staat Pandi op een dag op straat.

Schoolgaande kinderen zijn zelfs niet veilig voor de verleidingen die de wereld biedt. Wanneer zij bloedt afstaan krijgen ze daar anderhalve euro voor. Dat is meer dan een dagloon voor vele en het biedt meer spanning dan school voor kinderen die geen begeleidende ouders hebben. Zij kunnen opeens naar de bioscoop en ontdekken steeds meer spannende uitjes. En dit leidt al gauw tot een spiraal waar eenmaal erin geen weg meer uit is. Omdat ze geen begeleiding hebben. Voor één van deze kinderen, een jongen van 17 in een rolstoel, die ik helaas niet ontmoet heb wegens hevige regenval, is er wel begeleiding maar ook een superdagloon van 700 roepies! Hiervoor draaien zijn handen graag vele, vele slingers aan het wiel van zijn tricycle, driewielrolstoel, om van een klein dorp naar de grote stad te rijden om plastic te verzamelen. Hij levert dit in bij een grootverzamelaar in zijn dorp en krijgt dan zijn dagloon van 10 euro. Elke dag drinkt hij alcohol en snuift hij aan lijm. Zo’n jongen heeft vele begeleiding nodig, veel praten en overtuiging van de jongens van Ramachandran’s groep. Zo niet dan herhaalt onherroepelijk een verhaal als van Surej of Pandi Raja zich…

Surej en Pandi Raja zijn twee jongens die inwonen en gemiddeld zijn er altijd een stuk of 6 jongens aanwezig, zij komen aan dwarrelen en zij verdwijnen even snel. Het is aan hen wat zij willen van dit opvanghuis. Ramachandran heeft een mooi netwerk waar politie en busmannen en ook de paratha verkoper zijn telefoonnummer hebben om eventuele zwervende jongens een huis aan te bieden. Nieuwe weggelopen kinderen zijn makkelijk te herkennen en makkelijk te verdwijnen in een donker en diep netwerk van werelden waar bijna niet meer uit te komen is. Ramachandran moet er op tijd bij zijn anders loopt een kind weg. Dus sta ik om 5 uur op het treinstation en komt Ramachandran een uur te laat.

Wanneer je als vader en moeder een klein gezin hebt maar van 3 kinderen en het dagloon genoeg is om het gezin te onderhouden is er geen reden om je kind niet naar school te laten gaan. ‘Waarom werkt het ene kind wel en het andere niet?’ vraag ik aan Ramachandran. Het antwoord is simpel: de ene vader is alcoholist en de andere vader niet. Wanneer we op bezoek zijn bij een familie wordt me alcohol aangeboden door de vader die een alcoholgeur uit ademt. Ik sla af. Ik ben meer geïnteresseerd in de technieken van papadum maken. Papadum is eten, een in olie gebakken bestanddeel dat bij de rijst wordt gegeten. Kleine bonen, erwten of graan wordt fijngestampt tot een pasta gemaakt, tot een rol gedraaid, stukjes afgesneden en plat gewalst. Hoewel ik dit niet zie is het waarschijnlijk wel de procedure want de vrouw van alcoholistische man spreekt geen Engels maar laat alles zien: de soort erwten, de blokjes pasta die daaruit voort komen en de gedroogde maar nog niet gefrituurde papadum en uiteindelijk de klaar gemaakt papadum. Een klein vettig, smakelijk onderdeel van een maaltijd. Iets waar kinderen dagelijks aan werken voor een jaarloon van 150 euro. Natuurlijk hoort zo’n kind op school, waar ze zelf ook het liefste heen willen, maar ja… met een vader als alcoholist of alleen achter gebleven moeder en toch een huwelijksschat die langzaam opgebouwd moet worden, is het heel normaal dat een kind hele dagen werkt voor een jaarloon dat vooraf gegeven is. Heel fijn, een jaarloon op voorhand, dat trekt ouders over de lijn en zo’n kind is niets minder dan een ruilmiddel, een slaaf. Maar wel met het gouden oorknopje en de gouden ketting want er is een naam hoog te houden, en een echtgenoot te zoeken.

De Kashmiri mannen rondom de tempel werken 12 uur op een dag, 6 dagen in de week, 50 weken in een jaar. Het ziet er allemaal flitsend uit, winkels vol zilver, kitsch en houtbewerkingen. Zijden tapijten en uitzichten over gouden tempels, priemend door de zinderende hitte van Zuid India. Veel van wat er in die winkels staat is door kinderen gemaakt. Verkocht door mannen met een maandloon van 230 euro, maar een belabberd privé-leven. Hetzelfde loon als iemand die werkt voor St. Joseph’s Development Trust in een hoge functie. En papadum makertjes verdienen hiervan de helft, als ze geluk hebben iets meer.

Opeens smaakt die papadum anders, opeens wordt alles anders. Hoor ik alleen verhalen die niet anders gaan dan over werken, inkomen, verleidingen, overleven en onrecht, oneerlijkheid. Een land als India is als oneerlijk als prachtig. Er zijn vele wolven maar meer lammetjes…

Maar het is niet alleen ineens negativiteit, na werk als dit. Het beeld van een kleine, dikke baby hangend als een meelworm in een katoenen sari van één van de amma’s, het licht van een kaars schijnt vanachter dit wonderlijke schouwspel mijn irissen binnen. Een kind, een natuurwonder van een moeder die haar afstond, ligt nu tevreden en slapend in de bundel, opgehouden door een haak in het plafond. Haar moeder houdt van haar, plas drupt door de doek op de grond en ik zie alleen een hartje in een licht doorgevende doek, en een glinsterend plasje op de grond.

We gaan naar een achterstandswijk, Karambalai Community waar ongeveer 400 families wonen. Deze gemeenschap werkt hoofdzakelijk als schoonmakers. Van openbare toiletten, riolen, putten en ander soort stinkend, bedwelmend werk. Dit soort werk tast de mens aan, het stinkende, rottende afval dat zij ruimen spoelen ze weg met goedkope rum dat niet alleen een dronken toestand veroorzaakt maar ook een tekort in leefvoorzieningen. Hun dagloon is laag, hun bewust zijn ook. Hun kinderen worden van school gehouden zodat ze mooi mee kunnen helpen in het onderhoud van de hele familie. En zo werken kinderen de stront weg van de stad Madurai. In een dorp als dit waar een open riool bijna overstroomt, waar buiten vis schoon gemaakt wordt, waar een pasgeboren lam door zijn benen is gezakt en waar koeien, honden en hele grote geiten samen mengen met de vaders en moeders, met de grootvaders en grootmoeders van deze kinderen die nu in een overvloed aan enthousiasme achter ons aan klampen. Me aanraken, me willen voelen. Mijn haar strelen en in allerlei kunstjes voor de camera poseren, gillend en tollend. Met een camera in een krottenwijk is geen alledaagse gebeurtenis en weer vertelt Ramachandran dat ik niet in een taxi met airconditioning kom, gewoon tapwater drink, net als zij en gebruik maak van een hurktoilet en slaap in een simpel hotel. Ik eet idli en paratha, ik kus alle meisjes hun zoute wangen en weet weer heel veel meer. Hoe de jongens van SJDT hier te werk gaan. Want hoe weet je waar een kind woont die gestopt is met school? In een middenstandswijk hoef je niet te zoeken. In een achterstandswijk wel en in zulke wijken, modderig of zanderige buurten vol simpele huisjes of snel gebouwde hutten. Dorpen met een naam, erkend als zodanig door de gemeente en dus niet weggevaagd in één nacht. Hier wonen de families onder de armoedegrens en hier wordt deur aan deur aangeklopt. Gevraagd of hun zoon of dochter naar school gaat? Een leugen is snel gemaakt maar de jongens van de organisatie achterhalen hem. Praten net zolang en net zo vaak met hen en de buren totdat ze uiteindelijk inzien dat school meer kansen biedt dan werk. Een kind dat met school gestopt is krijgt een bijscholing en wordt vanaf de periode dat hij of zij school verlaten heeft tot aan het nieuwe schooljaar in juni bijgeschoold. Elk jaar worden er gemiddeld 60 kinderen bijgeschoold. Kinderen die niet bijgeschoold kunnen of willen worden krijgen een training in beter werk, zodat ze van hun schoonmaakwerkzaamheden een beter job kunnen bemachtigen.

Kinderen die als hulpjes in restaurants werken krijgen aan het einde van de dag wat over is; een stapel koude paratha’s, een bergje sponzige idli’s en wat sambar (groentecurry). Ze eten wat ze kunnen en de rest verkopen ze aan riksjarijders en bedelaars, mensen nog armer dan zij. Terwijl hun ouders een maandloon van 45 euro hebben gaan daar de kosten af van een kilo tomaten die bijna een euro kosten, een kilo goedkope rijst (zeker geen geurende Basmati) van 30 cent en de rum die duurder is dan een kilo tomaten slokt de rest op. Kinderen met een inkomen worden zo ineens heel welkom. Kinderen van ouders zonder bewustzijn, zonder zicht op het nut van een goede studie dat kan leiden naar een betere werkplek en dus meer inkomsten. Bewustzijn is meer dan weten, het kan een heel leven veranderen en inspireren en gelegenheid geven. Een studie is meer bewust zijn, minder kinderen en dus betere levensomstandigheden. En dat is nog maar het inzicht van een ondeskundige.

I'm curious to your view, leave a reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s